Paul Verheijen

JHERONIMUS BOSCH

Het Laatste Oordeel


Gesloten panelen

Filips de Schone (1478 Brugge-1506 Burgos) was de opdrachtgever van dit triptiek.
De twee in grisaille afgebeelde heiligen op het gesloten drieluik vertegenwoordigen de beide takken van het Huis Habsburg: Bavo (rechts) staat voor de Nederlandse tak en Jakobus (links) staat voor de Spaanse tak van dit Huis.
Dynastiek waren beide landen met elkaar verbonden door het huwelijk van Filips met Johanna van Castilië in 1496.
Opvallend is dat de wapenschilden onder beide heiligen leeg zijn.

Jakobus
Bosch heeft Jakobus blootsvoets geschilderd, gekleed in een lang gewaad.
Over de rechterschouder draagt hij een wandelstok die hij met twee handen vasthoudt.
Aan de stok hangt een geplooide doek tot op de grond.
Opzijn schouders rust zijn kenmerkende pelgrimshoed met een aan de voorkant opgeslagen rand, waaraan een jakobsschelp is bevestigd.
Aan zijn gordel hangen een broodzak, een dolk in een versleten omhulsel en een buidelboek.
Hij is gebogen door de last van de (levens)reis.
Rondom zijn kleine scènes geschilderd die mogelijk als allegorische motieven opgevat moeten worden.
Rechts steekt een struikrover in op een reiziger die op de grond ligt met zijn bezittingen naast hem verstrooid.
Dieper het landschap in staat daarboven een verzoeningskruis dat vaak werd opgericht op de plaats van een misdrijf.
Aan de voeten van Jakobus kruipt een slang.
Daaronder is de oever van een meertje te zien waar tussen het riet jakobsschelpen liggen, een hagedis rondscharrelt en verder naar links een kikker met hoorns hurkt.
Aan de linker beeldrand zijn van beneden naar boven vier scènes te zien: achter Jakobus zit een bonte kraai (die waarschuwt voor ziekte en dood?) op een dode boom, daarboven twee pelgrims die elkaar vasthouden (een kreupele en een blinde?), daar weer boven rust een pelgrim uit en helemaal bovenaan op een rots heeft een pelgrim zich verhangen.

Bavo
Bosch heeft Bavo geschilderd in de kenmerkende houding van een schutspatroon: rechtop met het gezicht richting toeschouwer.
Hij draagt een eenvoudige baret, een tuniek met omgeslagen mouwen en daarover een mantel die tot aan de knie reikt en zijn mantel is over de rechterschouder geworpen, onderbenen en voeten zijn in kousen gehuld.
Gouden sporen wijzen erop dat hij een ruiter en een edelman is.
Zijn rechterhand tast onder de mantel in een geldbuidel, waarachter een zwaard is bevestigd (grootmoedigheid en adel).
Op zijn linkerhand draagt hij een valk, Bavo's belangrijkste adelijke attribuut.
Links heeft een bedelaar met een verdraaide hand een verloren voet (lijfstraf?) naast zich neergelegd als bewijs dat hij hulpbehoevend is.
Met zijn linkerhand houdt hij een ronde schaal vast.
Rechts zien we een oude vrouw met op haar schouder een kleuter die op zijn hoofdje een kom draagt waarin een lepel is gestoken en waaruit pap loopt.
Op de voorgrond strekt een kind / dwerg een arm uit naar Bavo.
Bedelaars sleepten vaak kinderen mee om medelijden op te wekken.
Bavo heeft de trekken van Filips de Schone, de karakteristieke Habsburgse fysionomie wordt hier gecombineerd met de zachte, jeugdige kenmerken die Filips zijn bijnaam bezorgden.

Linker zijluik

Hier zien we het ontstaan van het kwaad en de teloorgang van het paradijs.
Bovenaan is de val van de opstandige engelen uitgebeeld, hier gelijkgesteld met de scheiding door God van licht en duisternis.
De schitterende verschijning van God de Vader in de mandorla is omgeven door engelen.
De vallende engelen hebben de gedaante van zwartachtige insecten.
Op de steile kale rotsen links onderaan zitten vreemde donkere dieren met de poten omhoog, alsof ze contact willen met de vallende engelen.

Op de onderste helft van dit paneel is de schepping van Eva en de zondeval afgebeeld.
Naast de slapende Adam zien we een rustende hond, in de plas zwemmen twee eenden (symbolen van liefde en trouw?) en verder zien we nog twee hanen en een vos.
God in de gedaante van Christus houdt Eva vast aan haar linker onderarm en zegent haar.
Hierboven staat de boom van de kennis van goed en kwaad en Eva kijkt onderzoekend naar de appel in haar hand, terwijl Adam naast haar staat te gebaren.
De slang in de boom heeft het gezicht en de goudblonde haren van Eva en biedt nog een appel aan.
Daar weer boven worden Adam en Eva het paradijs uitgedreven.

Middenpaneel

Het middenpaneel toont het laatste oordeel.
De uitbeelding van de hemel is grotendeels conventioneel: onder de afgebeelde heiligen aan weerszijden van de oordelende Christus - met de lanswond in zijn rechterzijde - nemen Maria en Johannes de Doper letterlijk een aparte plaats in, de twaalf apostelen zijn in twee groepjes van zes geschilderd.
Vier engelen kondigen op een bazuin het laatste oordeel aan.
Daaronder breekt een groot inferno uit met oplaaiende vuren.
De uitbeelding van uitverkorenen en verdoemden is echter volstrekt onconventioneel.
Gewoonlijk zijn beide groepen ongeveer gelijk in aantal en symmetrisch verdeeld: rechts van Jezus (links voor de kijker) de uitverkorenen en links van hem de verdoemden.
Bosch breekt echter met deze traditie door hier vrijwel alleen verdoemden af te beelden.
Deze verdoemden bevinden zich in een brandende en door demonen bevolkte wereld, alsof hij wil aangeven dat de aarde tegen het einde der tijden bijna volledig in de greep van de duivel is.
In het middenplan links wordt welgeteld één ziel door een engel uit deze hel op aarde gered.
Opvallend is dat zich onder de demonen types bevinden die in Bosch’ tijd als schadelijk voor de maatschappij gezien werden, zoals marskramers, herbergiers, soldaten en gedegenereerde geestelijken.
Geeft Bosch blijk van een zeer negatief mensbeeld, waarin niemand ontkomt aan zijn of haar zonden, door zoveel verdoemden te zetten tegenover die ene uitverkorene?

Rechter zijluik


Op het rechter zijluik geeft Bosch ons een kijkje in de hel zoals hij die voor ogen heeft.
Hierdoor laat het gehele drieluik zich lezen als één groot memento mori.
Feitelijk is het rechterluik een voortzetting van het middenpaneel, vooral ook omdat daar bijna uitsluitend de verdoemden worden afgebeeld.
Let ook op de kleurstelling die op het middenpaneel in het bruin en zwart (dood) doorloopt in het rechter paneel, terwijl op het linkerpaneel de kleur groen (leven) domineert.

In een aantal typische 'Boschfiguren' komt het groen van het linkerpaneel terug.
Traditioneel wordt alleen de vorst der duisternis, Satan of Lucifer, als reus afgebeeld.
Bosch beeldt op dit paneel vier reuzen uit.
De hier afgebeelde effen groene reus gooit zijn hoofd met lange haren in de nek om loodrecht vuur uit te spuwen.
Voor zijn mond wordt het been van een verdoemde zichtbaar.
Daarachter houdt een reuzin haar opgezette, met witte en rode spikkels bezaaide buik vast.
Een reusachtige duivel hurkt onder een blauwe doek terwijl in zijn kont een pijl steekt.
De nadruk op de spijsverteringsorganen en op vreten, poepen en piesen - bezigheden die onrein en niets waard zijn - is blijkbaar typerend voor de hel en voor Satan.
Jheronimus Bosch (circa 1450 - 1516)
Triptiek (circa 1500-05)
Het Laatste Oordeel (geopend)
De heiligen Jakobus en Bavo (gesloten)
Olieverf en tempera op eikenhout
middenpaneel 163 x 128 cm
zijpanelen 167 x 60
Wenen - Akademie der bildenden Künste