Paul Verheijen

CAROLUS BORROMEUS

Deemoedig vasten

Nepotisme

Carlo Borromeo was de tweede zoon van Gilberto Borromeo en Margerita de'Medici, en daarmee lid van het bekende bankiersgeslacht.
In 1538 te Arona aan het Lago Maggiore geboren en naar de gewoonte van de tijd vroeg bestemd voor een kerkelijke loopbaan.
Daarom werd hij op zevenjarige leeftijd al met de kruinschering in de clerus opgenomen.
Nadat hij zijn rechtenstudie te Pavia voltooid had werd hij ondanks zijn spraakgebrek secretaris van zijn oom Giovanni Angelo de'Medici die in 1559 onder de naam Pius IV tot paus gekozen werd.
Na verheffing in 1560 tot kardinaal-diaken en administrator van het grote bisdom Milaan stierf zijn broer Federigo plotseling.
Dit leidde tot een soort bekering: Carolus verliet zijn huishouden van 150 personeelsleden en ging ascetisch leven wat hem verregaand vermagerde.
In 1563 volgde Carlo's priesterwijding en — tegen de canonieke regels in — nog in hetzelfde jaar, binnen vijf maanden, de bisschopswijding.
Doordat hij met zijn sterke persoonlijkheid een grote invloed had op de nogal werelds gezinde oom-paus, wist hij deze te bewegen het al een tijd lang vastgelopen concilie van Trente weer bijeen te roepen en tot een goed einde te laten brengen (1562-63).
Opmerkelijk is dat het Concilie van Trente een einde wilde maken aan het verschijnsel nepotisme, het bevoordelen van familieleden door de heersende clerus.
Carlo was immers door zijn oom aan een goede baan geholpen.
Omdat er voor priesterstudenten nog geen georganiseerd instituut bestond, bedacht hij het seminarie (Latijn: seminarium, letterlijk 'kwekerij' dus kweekschool).
Vanaf 1565 wijdde Carlo zich geheel aan het bestuur van het bisdom, waar zijn met altijd met vreugde begroete hervormingen een voorbeeld werden voor heel Europa.
Na het verval van de laat-middeleeuwse kerk en de daaropvolgende ontreddering door de Reformatie was het Carlo Borromeo, die in praktijk en geschriften een nieuwe methode van pastorale zorg ontwierp.
Persoonlijke inzet tijdens de pestepidemieen van 1570 en 1576 verhoogde zijn aanzien.
Het verhaal dat op zijn gebed de aartsengel Michael het pestzwaard in de schede zou hebben gestoken en Maria hem een olijftak aangereikt zou hebben, is een herhaling van een soortgelijke legende over paus Gregorius de Grote.
Tegen de zin in van de leiding van de humiliari begon Carlo deze religieuze orde te hervormen.
Een moordaanslag op hem werd beraamd, maar mislukte omdat het op hem afgevuurde schot weliswaar zijn kleren doorboorde, maar stopte bij zijn huid en slechts een blauwe plek achterliet.
Hij stierf in 1584 in Milaan en werd bijgezet in de crypte van de Dom aldaar.

Karol Wojtyla (paus Johannes Paulus II) is naar hem genoemd en betitelde Borromeus als een groot prediker en lichtend voorbeeld.

Tranen en brood

Daniele Crespi schilderde Carlos Borromeus terwijl hij aan het vasten is.
De fysionomie van de heilige gaat terug op een dodenmasker in het kapucijnerklooster Porta Monforte te Milaan.
Carolus had een grof gezicht met hoog rondend voorhoofd, een grote haakneus en felle ogen.
Zijn tranen - teken van inleving in het lijden van Christus - dept hij met een doek.
In alle eenvoud (zijn lijfspreuk was humilitas) eet hij brood en water.
Als kardinaal draagt hij een soutane in vermiljoenrode kleur, afgeleid van de symboliek van de martelaren.
Op de tafel rechts ligt zijn kardinaalsbonnet of biretta, die hier vier opstaande ribben heeft.
De crucifix op diezelfde tafel is een van de attributen van een boete doende kluizenaar.
De noodzaak van boetedoening werd door Borromeus gepredikt en ook door hemzelf in de praktijk gebracht.
De niet te identificeren personen op de achtergrond dienen mogelijk als getuige voor zijn ascetische leven.
Carolus Borromeus werd in 1610 heiligverklaard en kreeg zijn feestdag op 4 november.
Daniele Crespi (1598-1630)
Il digiuno di San Carlo Borromeo (circa 1627)
Olieverf op doek
Milaan - Santa Maria della Passione