Paul Verheijen

SMALL WONDERS

17 juni t/m 17 september 2017
Amsterdam - Rijksmuseum


Houtsnijwerk

Een gebedsnoot behoorde tot de devotionalia en beleefde in de 15e eeuw zijn hoogtepunt.
De noot werd in principe gebruikt om in afzondering te kunnen mediteren en bidden.
Gelovigen wilden zich zoveel mogelijk met Jezus vereenzelvigen.
Het mediteren over zijn lijden werd gezien als een goede manier om dat te bereiken.
Daarom is er op voorwerpen die voor privé-devotie bestemd zijn vaak een afbeelding van de lijdende Christus te zien.
Het was werkelijk mede-lijden.
In de 15e eeuw was een dergelijk kunstwerk enkel weggelegd voor de meest welgestelden.
Het kostbare kleinood werd doorgaans bevestigd aan een rozenkrans.
Wanneer de gebedsnoot mee op reis werd genomen, werd hij zorgvuldig opgeborgen in een beschermend omhulsel.

Deze schitterende stukjes houtsnijwerk zijn niet enkel bijzonder gedetailleerd, ze zijn ook nog eens erg klein van stuk, een luttele vijf centimeter in doorsnede.
De miniatuur tafereeltjes zijn gesneden uit buxushout, ook wel palmhout genoemd.
Buxus gold als het ivoor onder de houtsoorten.
Ze kunnen zich qua kunstigheid zeker meten met de bekendere (grote) middeleeuwse houtsnijwerken als altaar retabels.
Wereldwijd zijn er slechts zo'n 125 stuks bewaard gebleven.

Ontstaan en gebruik

Al eeuwen zijn mensen gefascineerd door het Nederlands micro-snijwerk uit de late Middeleeuwen.
Hoe heeft men op onvoorstelbaar kleine schaal de meest uitbundige en gedetailleerde bijbelse taferelen weten te vervaardigen?
Een team van kunsthistorici en restauratoren heeft de afgelopen jaren uitvoerig onderzoek gedaan.
Er werd technisch onderzoek gedaan naar de wijze van vervaardiging van het minuscule snijwerk en kunsthistorisch onderzoek naar de makers, de kopers en het gebruik van bijzondere kunstwerkjes.
Een van de bevindingen is dat het overgrote deel van het microsnijwerk technisch en stilistisch zo consistent is, dat het uit één atelier afkomstig moet zijn geweest.
Dat atelier werd geleid door Adam Theodrici (‘Adam Dircksz’), wiens signatuur op één gebedsnoot voorkomt.
Over deze houtsnijder is weinig tot niets bekend.
Bij de productie moet zijn atelier vergrootglazen hebben gebruikt en bijzonder fijn houtbewerkingsmateriaal.
De religieuze voorstellingen aan de binnenkant van de uitklapbare noot zijn namelijk uiterst gedetailleerd en gaaf.

Minstens zo verrassend was de constatering – op basis van de identificatie en lokalisatie van een aantal opdrachtgevers en vroege bezitters van dit microsnijwerk – dat zijn atelier zich niet in de Zuidelijke Nederlanden bevond, zoals lang is aangenomen, maar moet worden gelokaliseerd in het noorden, mogelijk in Delft.
Deze ontdekking nuanceert het nog vaak heersende beeld dat de bloei van de kunsten in de late Middeleeuwen vooral in de zuidelijke provincies van de Lage Landen plaatsvond.

Het is bekend dat Karel V enkele gebedsnoten bezat.
Alleen vorstenhuizen en rijke kooplieden konden zich dergelijke peperdure noten aanschaffen.
Ook is door het recente onderzoek duidelijk geworden dat deze buxushouten miniatuur-devotionalia niet uitsluitend een religieus doel dienden, maar ook een zeker spel- en vermaaksaspect in zich droegen.
Door hun complexiteit nodigen ze de gebruiker uit tot een speelse visuele zoektocht naar verrassende manieren om ze te openen en zo de verborgen voorstellingen te ontdekken.
Dit spelaspect draagt bij aan een meer geconcentreerd gebruik en een verdieping van de meditatie.

Jezus voor Pilatus en Kruisiging

De afgebeelde gebedsnoot tentoongesteld in het Metropolitan Museum of Art in New York toont aan de binnenzijde de scène dat Jezus door Pilatus wordt verhoord en veroordeeld tot de kruisdood.
De andere helft laat de kruisiging zelf zien.

2016-2018 Copyleft - Paul Verheijen
Nijmegen