Paul Verheijen

GIOTTO

Paaskring in veertien fresco's


De Scrovegni-kapel of Arena-kapel is gewijd aan Maria en staat in Padua in de wijk Arena, vernoemd naar een oud Romeinse amfitheater dat hier stond.
Tussen 1303 en 1305 beschilderde Giotto alle wanden in opdracht van Enrico degli Scrovegni.
De kapel hoorde oorspronkelijk bij het paleis van de familie Scrovegni en herbergt een van de belangrijkste meesterwerken van de westerse kunst.
De 38 fresco's, die gebeurtenissen in het leven van Maria en Christus vertellen, bedekken het gehele muuroppervlak.
Hoewel de kapel gewijd is aan Maria hebben de meeste fresco's betrekking op het leven van Christus die vooral als mens wordt getoond.
Een fresco uit de Maria-cyclus is Ontmoeting Joachim & Anna bij de poort

De naturalistische interpretatie, zonder al te veel symboliek, sloot blijkbaar aan bij de opvattingen van opdrachtgever Scrovegni en de lekenorde Frati della Beata Gloriosa Vergine Maria waartoe deze behoorde.
Giotto stopte veel dramatische handeling in de fresco's, waardoor zeer realistische werken ontstonden.
Sommmige details zijn mogelijk ook bedoeld om de toeschouwer een lach te bezorgen.
Volgens Giorgio Vasari had Giotto altijd wel grappen bij de hand die uiterst geestig waren.
Hij combineert bij de uitbeelding de teksten van de vier evangelies uit het Tweede Testament.
Zo'n diatesseron (letterlijk: door de vier heen) benadering is niet ongewoon.
Door zo'n evangelieharmonisatie kunnen eventuele tegenstrijdigheden binnen de vier evangelies keurig worden weggepoetst.

Hieronder ziet u de fresco's die vallen binnen de tijd van de paaskring.
Neem er rustig de tijd voor, want in de kapel zelf mag je niet langer dan een kwartier vertoeven om alles te bekijken.

Palmzondag

(Matteüs 21,1-9; Marcus 11,1-10; Lucas 19,28-40 en Johannes 12,12-19)

Gezeten op een ezel rijdt Christus Jeruzalem binnen.
Mensen begroeten hem door hun kleren op zijn pad te leggen en met palmtakken te zwaaien.
Sommigen zijn nog bezig deze uit de bomen te plukken.
Het realisme in deze scène wordt levendig uitgedrukt in de man rechts die op het punt staat zijn bovenkleed af te doen en, met tamelijk humoristisch, in de jongeman daarvoor die nog met hoofd en handen gewikkeld is in zijn kleed alsof hij moeite heeft die uit te doen.
De ezel en het veulentje zijn uiterst doeltreffend geschilderd met aandacht voor de snuit van de ezel en het grijze en witte haar dat met dunne lijnen is geschilderd.

Oorspronkelijk was het hele kleed van Christus blauw.
Het dure ultramarijn dat Giotto gebruikte, werd pas na het drogen van het fresco aangebracht om de kleur beter uit te laten komen.
Helaas liet hierdoor de kleur ook los.

Tempeluitdrijving

(Matteüs 21,12-13; Marcus 11,15-17; Lucas 19,45-46; Johannes 2,13-17)

De omgegooide tafel op de voorgrond - gedeeltelijk in fresco en gedeeltelijk in secco uitgevoerd - wordt in perspectief weergegeven, net als de gevel van de tempel.
De portico met de ronde bogen getuigt van een klassieke smaak en de twee paarden erop in het midden doen denken aan de paarden op de façade van de basiliek van San Marco in Venetië.
Het woedende gebaar van Christus staat in contrast met het liefdevolle gebaar van het kind dat voor Petrus staat en dat een duif in zijn handen heeft.
Een andere apostel (Johannes?) bedekt zijn gezicht met zijn kleed.
Wil hij zijn toornige meester niet zien of is hij verdrietig vanwege hetgeen er in de tempel gebeurt?
Een tweede door Giotto afgebeeld kind lijkt bang geworden en schuilt onder zijn mantel.

Verraad Judas

(Matteüs 26,14-16; Marcus 14,10-11; Lucas 22,3-6; Johannes 13,2.29-30)

De voorstelling van Satan als een duivel komt regelmatig voor in de middeleeuwen en in de volkstraditie, een iconografisch motief dat Giotto ook in het Laatste Oordeel in deze Scrovegni-kapel gebruikt.
Judas draagt de geldbuidel als de penningmeester van Christus' apostelen.

Laatste avondmaal

(Matteüs 26,26-29; Marcus 14,22-25; Lucas 22,15-20; Johannes 13,21-26)

Christus kondigt aan dat een van zijn apostelen hem zal verraden.
De apostel van wie Christus hield - de traditie houdt het op Johannes - rust op zijn borst.
Judas - uiteraard zonder aureool - doopt links in de hoek samen met Christus zijn hand in de schotel hetgeen hem als overleveraar ontmaskert.
Tien apostelen zitten vijf tegenover vijf rond de tafel, Petrus en Johannes zitten met Christus aan het linker hoofdeinde.
Nogal merkwaardig lijken de voorste vier apostelen tegen hun eigen aureool aan te kijken.
De bank, het plafond en het dak zijn in licht perspectief weergegeven.
De gewaden zijn geschilderd met heldere kleuren voor degenen die op de voorgrond en in meer donkere tinten voor hen die aan de overkant van de tafel zitten.
De middelste apostel heeft zeer opvallend een met goud versierd kleed aan.

Voetwassing

(Johannes 13,1-20)

Christus en Petrus zijn de kern van deze scène
De apostel linksvoor is bezig zijn linker sandaal aan of uit te doen.
Hij is door Giotto monumentaal geschilderd als ware hij een beeldhouwwerk.
De eenheid van tijd en plaats met het vorige fresco wordt duidelijk door de identieke architectonische ruimte.

Gevangenneming

(Matteüs 26,47-56; Marcus 14,43-52; Lucas 22,47-53; Johannes 18,2-12)

Judas omarmt en kust Christus als begroeting, maar in werkelijkheid maakt hij daarmee voor de Romeinen duidelijk wie ze moeten arresteren.
De blik van Christus spreekt boekdelen: hij weet precies wat er gebeurt.
De Judaskus werd in de christelijke wereld hét symbool van verraad.
In het Evangelie volgens Johannes is te lezen dat de leerling die met zijn mes Malchus, knecht van de hogepriester, aan zijn oor verwondt, Petrus is.
Giotto heeft deze leerling dan ook met de traditionele fysionomie van Petrus weergegeven en de scène zeer realistisch weergegeven.
De soldaten die achter de figuren van Christus en Judas staan, vormen door hun in elkaar overvloeiende helmen als het ware een blok.
Hun stokken en fakkels - zien we ook een ramshoorn? - steken dreigend af tegen de nachtelijke hemel.
Hun gezichten drukken zowel agressiviteit als schuldgevoel uit.

Voor de hogepriester Kajafas

(Matteüs 26,57-68; Marcus 14,53-65; Lucas 22,54-71; Johannes 18,13-24)

De soldaat aan de linkerzijde staat op het punt een klap uit te delen aan Christus.
Kajafas lijkt zijn behaarde borst te willen tonen, maar scheurt volgens het verhaal zijn kleren om zijn woorden te onderstrepen.
Naarmate de passie zijn dramatische hoogtepunt bereikt worden de gebaren explicieter en meer emotioneel geladen.
Het plafond is duister evenals het gelaat van Christus, met intense blik.
Zijn licht hangende schouders tonen zijn lijden.

Bespotting

(Matteüs 27,27-30; Marcus 15,16-20; Lucas 22,63-64; Johannes 19,1-15)

Dit tafereel speelt zich af op een binnenplaats binnen het paleis.
Elegante zuilen en decoratieve daklijsten met palmen en leeuwen erop ademen een Romeinse sfeer.
Het gezicht van Pilatus en de man rechts (een soldaat?) lijken een weergave van bestaande personen.

Kruisweg

(Matteüs 27,31b; Marcus 15,20b; Lucas 23,26-31; Johannes 19,17)

Christus, gebukt onder het gewicht van het enorme kruis met zeer grote dwarsbalk, kijkt om naar zijn moeder Maria die wordt vast- of tegengehouden door een soldaat.
Maria oogt als een antiek marmeren beeld.
Samen met haar zoon zijn zij de personen in de scène waar het om draait.

Kruisiging

(Matteüs 27,33-54; Marcus 15,22-39; Lucas 23,33-49; Johannes 19,17-37)

Sommige engelen cirkelen rond het kruis met gebaren van wanhoop, scheuren hun kleren en strekken hun armen omlaag.
Drie van hen verzamelen in kopjes het bloed van Christus, dat afkomstig is uit Christus' zijde en handen.
'Kostbaar bloed van Christus' was een van de meest vereerde relieken in de middeleeuwen.
Maria Magdalena bestast zijn voeten en lijkt die te willen kussen.
Moeder Maria bezwijkt welhaast onder haar verdriet.
De soldaten rechts lijken nog te debateren wat ze met Christus' bovenkleed gaan doen.
De honderdman die Christus' goddelijkheid erkent, is te herkennen aan zijn aureool.
In de middeleeuwen werd hij beschouwd als een heilige en kreeg hij de naam Longinus.

Kruisafneming

(Matteüs 27,57-61; Marcus 15,42-47; Lucas 23,50-56; Johannes 19,38-42)

De scène van de bewening van Christus is een zowel iconografisch als literiair thema dat ontstaan is in de middeleeuwen.
Vooral met de lofzang Stabat Mater van Jacopo da Todi (1230-1306) werd het zeer geliefd.
Giotto heeft het tafereel in drie niveau's geschilderd.
Bovenin zweven weer de tien engelen van het vorige fresco.
Daaronder bevindt zich een staande groep mannen en vrouwen:
Rechts Jozef van Arimatea en Nikodemus die van Pilatus toestemming hadden voor de kruisafneming en het begraven van het lichaam van Christus.
Johannes in het midden laat in heel zijn lichaam zijn smart tot uiting komen.
In het onderste niveau is de bewening het meest intiem.
Met de twee gezichten, naast elkaar geplaatst, van Christus en van Maria, het ene verstijfd door de dood en het andere van smart, geeft Giotto volop pathos en emotie weer.
Twee vrouwen zien we gehurkt van achteren, de linker ondersteunt met haar hand het hoofd van Christus, een derde vrouw ondersteunt zijn handen.
Maria Magdalena zit op de grond en houdt zijn voeten vast.
Een dergelijke uitbeelding zou model blijven staan voor het hele Trecento van de Italiaanse schilderkunst.

Pasen

(Matteüs 28,1-10; Marcus 16; Lucas 24,1-12; Johannes 20,1-18)

De evangelist Matteüs meldt dat er één engel bij het graf zit, Marcus spreekt over één jongeman, Lucas over twee mannen en volgens Johannes zaten er twee engelen in het graf.
Giotto sluit dus aan bij dit laatste evangelie.
We zien de traditionele vleugels van de rechter engel en van beide engelen hun aureool.
Vijf wachters zitten of liggen te slapen.
Over deze wachters schrijft alleen de evangelist Matteüs, hun aantal noemt hij niet.
Wel dat zij door de joodse overheid zijn omgekocht het verhaal te verspreiden dat Christus' leerlingen hem 's nachts zijn komen stelen terwijl zij sliepen.
In de iconografie van de verrijzenis slapen de wachters dan ook vrijwel altijd, hetgeen niet in overeenstemming is met hun opgedragen taak.

De rechterzijde van dit Paasfresco heeft Giotto gereserveerd voor de zogenaamde noli me tangere-scène die alleen door Johannes wordt beschreven:
Maria van Magdala wil Christus vastgrijpen, nadat zij heeft ontdekt dat het niet de tuinman is, maar de verrezen Christus.
Die maakt een afwerend gebaar:
Houd mij niet vast, ik moet nog opstijgen naar de Vader.
Christus draagt een banier met het opschrift victor mortis, overwinnaar van de dood.

Hemelvaart

(Lucas 24, 50-53 en Handelingen 1, 1-14)

De hemelvaart van Christus wordt alleen door de evangelist Lucas vermeld.
Giotto baseert zich op de uitgebreidere versie in Handelingen.
Nadat Christus na zijn verrijzenis veertig dagen op aarde had rondgelopen (ook nu nog het aantal dagen tussen de Paasdagen en Hemelvaartsdag), werd hij voor de ogen van zijn apostelen in de hemel opgenomen.
We zien twee mannen in witte kleren.
Giotto beeldt ze ook hier uit als engelen met rijk versierde gewaden.
Zij delen mee dat Christus in de hemel is opgenomen, maar dat hij op dezelfde wijze zal terugkeren.
Het is moeilijk te zien, maar Giotto laat zowel de eerste twee apostelen aan de rechter- en aan de linkerzijde een hand boven hun ogen houden, suggererend dat Christus in een fel licht omhoogstijgt.
Mogelijk dat hier van een versmelting sprake is met het verhaal van Christus' verheerlijking op de berg Tabor (Lucas 9, 28-36 //).


Engelen en profeten begeleiden Christus naar de hemel, een mooi (maar door Lucas niet vermeld) detail bij Christus' hemelvaart.
Ze zijn afwisselend en face en en profil door hem geschilderd.

.. en een wolk onttrok Hem aan hun gezicht (Handelingen 1,9).
Ook dit detail schilderde Giotto in een witte nevelwolk ter breedte van Christus die het fresco naar boven lijkt uit te zweven doordat zijn handen al half buiten het kader vallen.

Lucas laat in het midden wie precies van de hemelvaart getuige zijn geweest.
Giotto niet: het waren de resterende elf apostelen (Judas heeft zelfmoord gepleegd).
En ook Maria kijkt met gevouwen handen haar omhoogstijgende zoon na.

Pinksteren

(Handelingen 2,1-4)

Voor het Pinkstergebeuren was Giotto alleen aangewezen op de Handelingen van de Apostelen, omdat dit verhaal verder nergens in het Tweede Testament is te lezen.
Het aantal van twaalf apostelen is weer aangevuld.
Om de opengevallen plek van Judas wordt geloot en een zekere Mattias is de gelukkige.
Zij zijn op de vijftigste dag na Christus' verrijzenis (pentekostès = vijftigste) op één plaats bijeen.
Er klinkt geraas en vurige tongen verschijnen die zich op de Twaalf neerzetten.
De apostelen raken vol van de heilige Geest en beginnen in vreemde talen te spreken.
In het Grieks is taal en tong hetzelfde woord.
Giotto beeldt de tongen / talen uit als hemelse stralen.
Het geraas is natuurlijk moeilijk in beeld te vatten.
Merk op dat Giotto niet schroomt enkele apostelgezichten deels of geheel uit beeld te halen.
Zeer compact heeft hij de scène weergegeven.
De Twaalf vormen een eenheid die geestdriftig gaat worden.
Het christendom gaat beginnen!

PAASKRING


2016-2019 Copyleft - Paul Verheijen
Nijmegen