Paul Verheijen

HANS SÜSS VON KULMBACH

Rozenkrans triptiek

Merkwaardige reconstructie

In de huidige staat is dit triptiek waarschijnlijk in elkaar gezet in de 19e eeuw.
De zijpanelen zijn later vervaardigd dan het middenpaneel en kunnen worden verbonden met een beschrijving uit 1778 van een altaarstuk voorstellend de Kroning van Maria dat zich bevond in een kasteel in Neurenberg.
De drie panelen zijn allemaal ongetwijfeld van Kulmbach, maar zijn op verschillende tijdstippen geschilderd.
Het centrale paneel, met zijn meer kalligrafische stijl, dateert van iets vóór 1510, terwijl de zijpanelen dateren uit 1513.
Het gotische maaswerk dat het bovenste deel van de zijpanelen omlijst is niet uit die periode, maar werd toegevoegd toen de drie panelen werden samengevoegd.
Op dat moment werden de zijpanelen in de verkeerde volgorde aan het middenpaneel bevestigd.
Volgens de chronologie van het leven van de Maagd, zou de ontmoeting van haar toekomstige ouders, Joachim en Anna, bij de Gouden Poort het linkerpaneel en de presentatie van Maria in de tempel het rechterpaneel moeten zijn.
De juiste positie van deze twee scènes levert een betere algehele compositie op met een meer coherente afsluiting aan de rechterkant, waar Maria dan de tempel binnengaat richting middenpaneel.

Middenpaneel

Het drieluik van Kulmbach dankt zijn naam aan de centrale, cirkelvormige rozenkrans van bloemen met vijf kruisjes die staan voor de vijf droevige geheimen.
Het schilderij benadrukt het belang van het bidden van de rozenkrans voor het verdienen van aflaten om zo redding te bereiken.
Binnen in het rozenkransmotief wordt de gekruisigde Christus geflankeerd door de Maagd en het Kind, engelen en de zegende God de Vader, temidden van andere figuren, terwijl twee engelen de compositie aan de bovenkant afsluiten, terwijl zij de rozenkrans omhoog houden.
Het middenpaneel toont een thema dat talloze precedenten kent in de Frankische kunst.
De binnenkant is verdeeld in vier rijen aan weerszijden van Christus aan het kruis.
Dat kruis maakt deel uit van een verticale as van de Triniteit, voltooid door God en de Heilige Geest in de vorm van een duif.

Eerste rij
- Maria, gekroond als Koningin des Hemels met het Christuskind in haar armen
- God de Vader, met de duif onder
- Engelen

Tweede rij
- Aäron, gekleed als hogepriester
- David, met harp en kroon
- Mozes, met hoorn en de Wetstafelen
- Johannes de Doper, met het Lam Gods

- Petrus, met sleutel
- Marcus, evangelist en leerling van Petrus
- Paulus, met zwaard.
- Lucas, met het rund, evangelist en metgezel van Paulus diens missiereizen

Derde rij
- Laurentius, met rooster
- Joris, in wapenrusting
- Erasmus, met de lier met zijn ingewanden
- Stefanus, met een boek en stenen
- Kind Jezus, zegenend op een kussen

- Gregorius de Grote (?), als paus
- Hiëronymus, als kardinaal
- Nicolaas, met de drie gouden bolletjes
- Hendrik de Heilige, als keizer

Vierde rij
- Clara, met de monstrans
- een niet-geïdentificeerde vrouwelijke heilige zonder attributen
- Barbara, met de kelk
- Catharina, met het gebroken wiel en zwaard

- Anna, met kleinkind Jezus en dochter Maria (Anna-te-Drieën)
- Maria Magdalena, met zalfpot
- Helena, met het kruis.

Onder de cirkel zien we links de AARTSENGEL MICHAËL met het zwaard die de zielen en rechts krijgen we een kijkje in het vagevuur.

Linker paneel - Maria Presentatie

Op de linkervleugel van het drieluik heeft Kulmbach de presentatie van Maria afgebeeld in de tempel.
Deze scène is in de Bijbel niet te lezen, maar in apokriefe geschriften, vooral in hoofdstuk 7 van het Proto-evangelie van Jakobus.
De maanden gingen voorbij en het kind groeide op. Toen het twee jaar was, zei Joachim tegen Anna: 'Laten we haar naar de tempel van de Heer brengen om de belofte na te komen die we hebben gedaan opdat de Heer ons geen kwaad doet en ons offer zou afwijzen.' Maar Anna antwoordde: 'Laten we tot haar derde jaar wachten zodat het kind niet meer naar haar vader en moeder verlangt.' En Joachim zei: 'Dat doen we.' En toen het kind drie jaar was geworden zei Joachim: 'We zullen de onbevlekte dochters van de Hebreeën roepen en laten ze ieder een fakkel nemen. Deze moeten branden opdat het kind niet in de verleiding komt om zich van de tempel af te keren.' Dat deed hij totdat ze in de tempel van de Heer waren aangekomen. De priester nam het kind en na haar gekust te hebben, zegende hij het met de woorden: 'De Heer heeft je naam groot gemaakt bij alle geslachten. In jou zal de Heer in de laatste dagen zijn verlossing aan de kinderen van Israël laten zien.' En hij zette het op de derde tree van het altaar en de Heer God deed genade op haar neerdalen en zij danste van vreugde op haar voetjes en heel het huis van Israël kreeg haar lief.
Op het paneel zien we een priester bovenaan de trap het kind ontvangen.
Haar moeder Anna knielt onderaan de tempeltrap en Joachim lijkt in gesprek met zijn vrouw terwijl hij naar boven wijst.
Maria (hier afgebeeld ouder dan drie jaar) beklimt de trap die uit minimaal vijftien treden bestaat vanwege de vijftien zogenaamde trappsalmen (Psalmen 120-134) die traditioneel werden gezongen bij het opgaan naar de tempel.

De apokriefe scène wordt sinds de 8e eeuw in het Oosten ook als feest gevierd op de liturgische kalender en luidt daar voluit: 'Het intreden van de moeder Gods in de tempel.'
Paus Sixtus IV schreef het in 1472 voor de hele Kerk voor.

Rechter paneel - Maria Immaculata

Aan de rechterkant zien we de ontmoeting van Joachim en Anna bij de Gouden Poort, traditioneel het moment van de Onbevlekte Ontvangenis van Maria.
Hans Süss von Kulmbach (circa 1480- circa 1522)
Triptiek van de Rozenkrans (circa 1510)
Olieverf op panelen, midden: 117,2 x 84,3 cm; zij: 122,5 x 37,8 cm
Madrid - Museum Thyssen-Bornemisza