Paul Verheijen


Home

Menu

Expo

Mail

Info

Bestel

Zoek

PINKSTEREN

De tongen van El Greco


El Greco (Domenikos Theotokopoulos) (1541-1614)
Pinksteren (circa 1596-1600)
Olieverf op doek, 275 x 127 cm
Madrid - Prado

Joodse achtergrond

Zeven weken na Pesach vieren de joden Sjawoe'ot, het wekenfeest.
Vóór ongeveer de eerste eeuw na Christus was dit het feest van de tarweoogst die een dag of vijftig na de gerst wordt binnengehaald.
In het Grieks heet dit feest dan ook Pentèkostè hèmera, de vijftigste dag, waarvan het woord Pinksteren is afgeleid.
De twee grote tarwebroden in de synagoge herinneren aan het oogstkarakter.
In orthodox-joodse kring vormen de zeven weken tussen Pesach en Sjawoe'ot een periode van rouw.
Er worden geen huwelijken gesloten.
Bovendien verzorgen veel mannen hun baard- en hoofdhaar niet en lopen er slordig gekleed bij.
Omstreeks het jaar 100 na Christus werd Sjawoe'ot gehistoriseerd en ging het feest herinneren aan de mozaïsche wetgeving op de Sinaï.
De Joodse traditie zegt dat JHWH op de vijftigste dag na het vertrek uit Egypte de dekaloog aan Israël gaf in zeventig talen.
Dat zijn alle talen van de toenmalig bekende wereld, want iedereen moet de tien geboden kunnen horen.
Lucas sluit in Handelingen 2,1-11 nauw bij deze traditie aan.

Christelijke overname

Toen de dag van Pinksteren aanbrak, waren zij allen op één plaats bijeen.
Plotseling kwam er uit de hemel een geraas alsof er een hevige wind opstak, en het vulde heel het huis waar zij waren.
Er verschenen hun vurige tongen, die zich verspreiden en zich op ieder van hen neerzetten.
Zij raakten allen vol van heilige Geest en begonnen te spreken in vreemde talen, zoals de Geest hun ingaf.

(Handelingen 2,1-4)

Lucas speelt hier in het Grieks met de twee betekenissen van het woord gloossa dat zowel met 'tong' als met 'taal' vertaald kan worden.
De opvatting dat de tong het instrument is om Gods woord te verkondigen en dat deze tong daarom ook door God gevormd is, vinden we in het Eerste Testament terug.

El Greco

Het middendeel van het schilderij van El Greco wordt beheerst door Maria die als enige is gezeten.
Ze is van een onverwachte jeugdigheid en verkeert in extase.
Haar levendige kleuren isoleren haar in het centrum van de compositie.
Haar in gebed gevouwen handen vormen als het ware een pijl naar de duif, de symbolisering van de heilige Geest.
Ze wordt omringd door 14 leerlingen onder wie we ook twee vrouwen ontwaren, mogelijk de beide Maria's die ook het lege graf van Jezus ontdekten.
Op de voorgrond staan Petrus (gekleed in geel en blauw) en Johannes (groene ondermantel) op de treden van een pedestal.
Met gespreide armen richten ze hun blik naar een hemelse lichtbron.
Op alle hoofden zijn de vurige tongen te zien.
Op twee leerlingen na zijn alle blikken gericht op de duif die zowel het hemelgewelf als de leerlingen verlicht.

De piramidale langwerpige compositie is karakteristiek voor het werk van El Greco en wekt hier de suggestie van een opstijgende energie, versterkt door de dansende vlammetjes.
Waarom heeft El Greco veel leerlingen afgebeeld met ontblote onderarmen en wie is die mysterieuze leerling tweede van rechtsboven die blijkbaar alleen oog heeft voor de toeschouwer?
Gaat het hier om een zelfportret van El Greco?

EXEGETISCHE NOTITIES

PAASKRING



2016-2018 Copyleft - Paul Verheijen
Nijmegen