Serie prelaten van Utrecht
De hier afgebeelde gravure van Radboud is nummer 5 uit een serie van twaalf geestelijken uit Utrecht die gemaakt zijn door de familie Bloemaert in opdracht van de aartsbisschop van Utrecht.
Van moederskant stamde Radboud af van de laatste heidense koning van Friesland. Hoewel de precieze familierelatie (bijvoorbeeld achterkleinzoon) historisch onzeker is, is wel duidelijk dat binnen enkele generaties het christendom zich dus al stevig had geworteld. Radboud groeide op aan de domschool van Keulen en de hofschool van Karel II de Kale in Tours. Toen hij in 899 tot veertiende bisschop van Utrecht werd gekozen, werd hij meteen benedictijn en abt. Het jaar daarop moest hij vluchten omdat de Noormannen Utrecht hadden verwoest. Hij vestigde zijn zetel in Deventer bij het graf van Lebuinus.
Zijn leven was buitengewoon stichtelijk en vol versterving. Er wordt verteld dat hij aan tafel altijd water dronk, ook wanneer zijn disgenoten wijn gebruikten. Op een keer wilde een van hen hem op de proef stellen, en vroeg of hij een teug uit Radbouds beker mocht nemen. Radboud weigerde dat, om zijn versterving verborgen te houden. Toen zijn disgenoot toch stiekem een slok nam, was het water veranderd in goede wijn. Dagelijks waste Radboud de voeten van enkele armen en deelde hij daarna aalmoezen aan hen uit.
In 917 stierf hij in Ootmarsum waar hij een kleine kapel had waar hij graag bad, maar hij werd begraven in de Lebuinuskerk in Deventer. Vanwege de reformatie raakten zijn relieken vanaf 1578 verspreid in Boerhaar, Deventer, Nijmegen en Utrecht.
Op naam van Radboud staan Latijnse gedichten en preken over Martinus van Tours, Servatius, Willibrordus, Bonifatius, Swietbertus en Lebuinus.
De gravure zinspeelt op de scène hoe Radboud tijdens een ziekte bij het wassen van zijn armen en voeten als beloning voor zijn Mariaverering een verschijning van Maria krijgt. Zij wordt begeleid door Agnes en Thecla en Radboud wordt genezen.
Op 8 november is zijn feestdag met de andere bisschoppen van Utrecht, maar op 29 november heeft hij ook zijn eigen feestdag.
In 1905 werd in Nijmegen de Sint-Radboudstichting opgericht om het katholieke onderwijs te bevorderen, met als bijzondere doelstelling de oprichting van een katholieke universiteit. Die Katholieke Universiteit Nijmegen (KUN) werd een feit in 1923 en heet sinds 2004 Radboud Universiteit, ook wel Radboud University in het Engels. De naamswijziging vond plaats om de band met de katholieke identiteit losser te maken en de universiteit een bredere, internationale uitstraling te geven, maar de naam houdt de relatie met de Sint-Radboudstichting in ere. Het UMC aldaar draagt ook Radbouds naam.
|
Latijnse teksten
Bovenzijde:
Ecce Sacerdos magnus, qui in diebus suis suffulsit domum, et in diebus suis corroboravit templum. Eccles. 50. v. 1
Zie de hogepriester, die in zijn dagen het huis heeft ondersteund, en in zijn leven de tempel versterkt heeft. Ecclesiasticus / Jezus Sirach 50:1)
Onderzijde:
Glorificavit illum in conspectu regum, Et iussit illi coram populo suo, Et ostendit illi gloriam suam. Eccles. 45. v. 3
S. RADBODUS Regio sanguine orius, XIV Ultrajectensium Episcopus, vir in divinis scripturis valde eruditus, episcopalibus virtutibus, et prophetiae dono clarus; in cibi, ac potus abstinentia admirabilis; sanctorum cultum Hymnis, et officiis Ecclesiasticis componendis maxime promovit. In agritudine, apparitione Deiparae Virginis honoratus, tandem sanctissime quievit. 3. kal. Decemb. Aº 917 multis et vivus, et mortuus miraculis clarus. Daventriae sepultus.
Hij verheerlijkte hem voor de ogen van koningen, en gaf hem bevelen voor het aangezicht van zijn volk, en toonde hem zijn heerlijkheid. Ecclesiasticus / Jezus Sirach 45:3)
De heilige Radboud, van koninklijk bloed geboren, veertiende bisschop van Utrecht, een man zeer geleerd in de Heilige Schrift, beroemd om zijn bisschoppelijke deugden en door de gave van profetie; bewonderenswaardig in onthouding van voedsel en drank; hij bevorderde de verering van de heiligen sterk door hymnen en kerkelijke getijden te componeren. Tijdens zijn ziekte vereerd door een verschijning van de Moeder Gods, is hij tenslotte in grote heiligheid overleden op 29 november van het jaar 917, beroemd om vele wonderen zowel tijdens zijn leven als na zijn dood. Hij werd te Deventer begraven.
|
|