Meesterwerk
Hoewel Henri Matisse door zijn omgeving, critici en de katholieke kerk vaak als atheïst werd bestempeld, omdat hij niet praktiserend was, waren zijn eigen uitspraken over zijn geloof veel complexer, milder en spiritueel geladen.
Zijn eigen visie op religie en God laat zich het best samenvatten door een aantal citaten:
- Ja, wanneer ik werk.
Toen hem door een journalist rechtstreeks werd gevraagd of hij in God geloofde, gaf Matisse dit antwoord. Voor hem was het creatieve proces van het schilderen een spirituele en goddelijke ervaring.
- Ik weet niet of ik in God geloof of niet. Eigenlijk denk ik dat ik een soort boeddhist ben.
Hiermee gaf hij expliciet aan dat hij twijfelde en zichzelf niet in een strak hokje wilde plaatsen. Hij voegde hieraan toe dat het belangrijkste was om jezelf in een gemoedstoestand te brengen die dicht bij die van een gebed ligt.
- Alle kunst die die naam waardig is, is religieus.
Matisse zag kunst niet als iets puur seculiers. Hij verklaarde ook dat hij met zijn kunst altijd de glorie van God en zijn creaties had bezongen.
Hoewel hij katholiek was gedoopt en het grootste deel van zijn volwassen leven buiten de kerk om leefde, weerspiegelen zijn eigen woorden eerder een vorm van agnosticisme met een diepe spirituele en artistieke devotie, dan een strikt atheïsme. Dit bleek ook toen hij aan het einde van zijn leven vier jaar lang met volledige overgave de Rozenkranskapel in Vence ontwierp.
|
Aanleiding
In juli 1943 verliet Henri Matisse Nice om aan de dreiging van bombardementen te ontkomen en verhuisde naar Vence, naar Villa Le Rêve, waar hij tot 1948 verbleef. Dominicanessen hadden een verpleeghuis aan de overkant van de straat. Zijn voormalige nachtverpleegster en model Monique Bourgeois herstelde daar. Hij had haar in 1942 voor een paar maanden in dienst genomen, toen hij herstellende was van een zware operatie. Ze raakten bevriend en ze begon voor hem te poseren. Het lot bracht hen in 1943 opnieuw samen. Ze hernieuwden hun vriendschap en Monique bleef voor hem poseren. In 1944 werd ze dominicanes als zuster Jacques-Marie.
In 1947 hadden de nonnen dringend een kapel nodig en zuster Jacques-Marie liet Matisse schetsen zien die ze had gemaakt voor een glas-in-loodraam. Op 4 december 1947 kwam broeder Louis-Bertrand Rayssiguier, een fervent liefhebber van moderne kunst en overtuigd van de positieve invloed ervan op religieuze kunst, Matisse bezoeken. Hij overtuigde hem niet alleen om de kapel te decoreren, maar ook om de gehele kapel te ontwerpen, die de synthese zou vormen van zijn eerdere experimenten en onderzoek.
Met de hulp van pater Marie-Alain Couturier en in samenwerking met architect August Perret en meester-glazenmaker Paul Bony, begon Henri Matisse aan het project in 1949. Hij transformeerde zijn enorme appartement geleidelijk aan tot een atelier, waar hij zijn maquettes tentoonstelde. De eerste steen werd gelegd op 12 december 1949 door monseigneur Rémond, bisschop van Nice, die het monument op 25 juni 1951 inwijdde. Matisse was te moe om de inhuldiging bij te wonen en vroeg hem een brief van hem voor te lezen:
Dit werk heeft me vier jaar lang onafgebroken en toegewijd werk gekost, en het is het resultaat van mijn hele werkzame leven. Ondanks alle onvolkomenheden beschouw ik het als mijn meesterwerk.
|
Ramen
De kapel heeft twee soorten ramen:
- L'Arbre de vie (De levensboom)
Het grote dubbele glas-in-loodraam achter het altaar, met abstracte cactusvormen en gele bloemen. Zie hiervoor Vitrail bleu pâle.
- De vijftien smalle zijramen
Deze hebben plantaardige motieven, waaronder gestileerde palmbladeren.
Het Matisse Museum in Nice bezit maquettes en studietekeningen voor de ramen en afbeeldingen van Dominicus.
|
|
Henri Matisse (1869-1954)
Chapelle du Rosaire (1951)
Kapel en inrichting
Vence
|