Paul Verheijen

SANTA CECILIA IN TRASTEVERE

Apsismozaïek

Het apsismozaïek in Santa Cecilia in Trastevere is een van de belangrijkste vroegmiddeleeuwse mozaïeken in Rome. Het dateert uit de tijd van Paschalis I (paus van 817-824; feestdag 11 februari). Zijn monogram zien we bovenin het mozaïek. De zes personen direct naast Christus zijn verdeeld over twee zijden. De keuze levert twee spiegelende triaden op: een apostel, een lokale martelaar en een figuur die de brug slaat naar de aardse kerk, van links naar rechts:
  • Paschalis I
  • Caecilia
  • Paulus
  • Petrus
  • Valerianus/Paschalis als jongeman?
  • Agatha
Paschalis I liet op deze wijze een zorgvuldig gecomponeerde heilige kring afbeelden waarin apostelen, lokale martelaren en hijzelf samen Christus naderen. Van geen enkele paus uit de middeleeuwen kennen we het uiterlijk zo goed als van Paschalis. Precies deze zes figuren verankeren zijn bouwprogramma in de apostolische traditie en leggen tegelijk zijn persoonlijke band met Caecilia vast. Door Cecilia, haar echtgenoot Valerianus en de mede‑patrones Agatha zo dicht bij Christus te plaatsen, presenteert hij zich letterlijk als de door Caecilia beschermde paus (ze heeft haar arm om de paus geslagen) die haar relieken heeft gevonden en haar cultus nieuw leven inblaast. Hij biedt Christus een kerkmodel aan. Omdat hij tijdens de vervaardiging van het mozaïek nog leefde heeft hij een vierkante nimbus.
Het mozaïek behoort tot de grote pauselijke mozaïekprogramma's van het vroege middeleeuwse Rome en sluit aan bij de restauraties en herinrichting onder Paschalis I, zoals de Santa Prassede.

In het midden staat Christus, gezegend door de hand van God, op een heuvel met de paradijsrivieren en omgeven door hemelwolken. Onderaan trekken twaalf schapen (de apostelen) naar het Lam Gods.

Dat Petrus en Paulus hier de flankerende apostelen zijn, is typisch voor Romeinse apsismozaïeken en onderstreept dat Paschalis’ cultusbeleid ingebed is in de apostolische stad. Paulus begeleidt aan de ene zijde Caecilia en Paschalis, terwijl Petrus aan de andere zijde Valerianus en Agatha aan Christus presenteert, als ware het een processie naar de hemelse troon.

Cecilia is gekroond, uitbundig getooid als een Byzantijnse prinses en draagt rode schoenen, tekens van hoge rang. Deze vorstelijke status maakt zichtbaar dat de kerk aan haar is gewijd. Opvallend is het gebaar waarbij zij haar arm om de schouder van Paschalis legt: moderne commentaren duiden dit als een visueel gebed van de paus om haar blijvende bescherming, of als een teken dat de heilige hem als haar persoonlijke paus erkent.
De lange Latijnse inscriptie onder het mozaïek benadrukt dat hij de heilige lichamen van Cecilia en haar gezellen in deze zaal heeft verenigd, en dat Rome om deze vernieuwde cultus juicht – precies de verbondenheid die in de iconografie van Caecilia en Paschalis wordt gevisualiseerd.
Zien we Valerianus, de echtgenoot van Caecilia, hier als jonge, elegante heilige tussen Petrus en Agatha of is het de jongere pendant van de paus aan de overkant? Zijn aanwezigheid maakt duidelijk dat Paschalis niet alleen Caecilia, maar haar hele martelarenkring (familie en vrienden) uit de catacomben heeft verheven en in Trastevere heeft samengebracht. Agatha tenslotte is gekozen omdat het klooster bij de basiliek mede aan haar was toegewijd. Als Siciliaanse martelares vertegenwoordigt zij de bredere gemeenschap van vrouwelijke martelaren die Paschalis’ Rome moeten beschermen. Door Caecilia met haar echtgenoot te combineren en hen te koppelen aan Agatha, construeert Paschalis een heilig familieportret waarin zijn basiliek de nieuwe ontmoetingsplaats van deze martelaren is.
De voorstelling is niet alleen decoratief, maar drukt ook de nauwe band uit tussen liturgie, pauselijk gezag en de verering van Caecilia.
2016 Paul Verheijen / Nijmegen