Paul Verheijen

JACOPO DA EMPOLI

Eligius van Noyon

Twee tronen

Eligius was eerst hoefsmid, later goudsmid en muntmeester in de tijd van de Merovingische koningen Chlotarius II (584-629/30) en Dagobert I (603-638/39) en werd rond 590 in de Limousin geboren.
De legende vertelt dat hij een knecht in dienst had die een duivels paard een been afsneed, de hoef rustig van een nieuw ijzer voorzag en het been er weer aanzette.
De knecht was Christus zelf die deze wondermacht ook leerde aan Eligius.
Als eerlijk vakman werd Eligius door de vorsten gewaardeerd.
Toen hij eens een kostbare troon moest maken voor de koning, maakte hij er uit het overvloedige materiaal twee, om niet het overtollige voor zich te houden. Deze troon bevindt zich als Fauteuil / Thrône de Dagobert I in het Département des Monnaies, Médailles et Antiques van de Bibliothèque nationale de France in Parijs.
Deze scène is door Jacopo da Empoli hier uitgebeeld. Links zien we half buiten beeld een merkwaardig kleine gouden en zilveren troon op een tafel staan.
Dit had voor hem tot positief gevolg dat hij als raadsman aan het hof werd aangesteld en in die functie wijdde Eligius zich aan sociale activiteiten tot aan de dood van Dagobert I, toen hij met zijn vriend Audoin het hof verliet om zich priester te laten wijden.
Vanaf 641 was Eligius bisschop van het Noord-Franse diocees Noyon, waartoe ook Vlaanderen toentertijd behoorde.
Circa 660 is hij gestorven.
Gedurende de middeleeuwen werden zijn relikwieën bijzonder vereerd en zijn deze minstens vijf keer naar andere plaatsen overgebracht.
De Notre-Dame-kathedraal van Noyon pretendeert de belangrijkste van zijn relieken te bezitten toen deze in 1952 werden verkregen van de benedictijner abdij in Oosterhout.
Voor zover bekend worden in Nederland nog relieken van hem bewaard in Utrecht, Maastricht en Geleen.
Eligius werd de beschermer van hoefsmeden, edelsmeden, metaalbewerkers, paardehandelaren en voerlui.
Hij wordt ook vereerd als bouwer van het klooster Ours-camp ('bereveld') bij Noyon.
Volgens de legende werd een ossenkar die stenen aanvoerde voor de bouw geconfronteerd met een gruwelijke beer.
De jonge wagenmenner sloeg op de vlucht en de beer deed zich te goed aan de os, waarop Eligius de beer vervloekte en hem opdroeg de kar te trekken in plaats van de gedode os.
Iconografisch zijn bij hem drie types te onderscheiden: als hoefsmid, als goudsmid of als bisschop.
Zijn liturgische feestdagen vallen op 1 december en de zondag na 24 juni (translatie) en heten respectievelijk 'koude Elooi' en 'warme Elooi'.

Werkplaatsdetails

Jacopo da Empoli schilderde meerdere grote, vrij theatrale historiestukken. Dit werk was waarschijnlijk besteld door het Florentijnse goudsmedengilde 'Arte degli Orafi' en toont Eligius als moreel model van vakmanschap en rechtvaardigheid. Het is te zien als een Italiaanse herinterpretatie van het thema dat in Vlaanderen in de 15e-eeuw al populair was. Empoli combineert realistische werkplaatsdetails met elegante hofmode, typisch voor zijn stijl.
Dagobert I staat rechts, goed herkenbaar aan het blauwe hofkostuum met gouden Fleur-de-Lis, de witte pluimhoed, zijn houding als 'keizerlijke' opdrachtgever, wijzend naar het werk, het gevolg van hovelingen achter hem. Hoewel de Fleur-de-Lis pas later het Franse koningssymbool werd, gebruikt Empoli het als anachronistisch maar herkenbaar attribuut om Dagobert visueel meteen als koning van de Franken te markeren.
Bovenaan hangt een Madonna met Kind, die het atelier beschermend ‘bekijkt’.

Het schilderij toont niet zomaar een edelsmidswerkplaats, maar een belangrijk moment uit het leven van Eligius. Dagobert inspecteert het werk van de jonge Eligius en de edelsmid toont trots de twee tronen die hij vervaardigt. Het tafereel beklemtoont Eligius’ eerlijkheid, godsvrucht en technische perfectie, eigenschappen die hem later tot heilige maakten.
Dit is een klassiek iconografisch thema, vooral in Italië, waar Eligius populair was bij de gilden van goudsmeden, beeldsnijders en edelsmid-ambachtslieden.

Tillo van Westfalen

Eligius van Noyon was meester van Tillo van Westfalen. De Saksische Tillo werd als 15-jarige jongen als slaaf naar Gallië gebracht en op de markt van Parijs verkocht en later weer vrijgekocht door Eligius. Ook Tillo werd goudsmid bij hem, maar rond 625 ging Tillo naar Solignac in het bisdom Limoges waar hij intrad in de abdij van Stavelot. Hij kreeg daar zowel een vakopleiding in metaalwerk als een christelijke vorming.
Toen Eligius in 641 bisschop werd wijdde hij Tillo tot priester. Tillo werkte in de missietraditie van Eligius in de omgeving van Kortrijk en Doornik en eindigde zijn leven als kluizenaar. Hij richtte een kapel in ter ere van Eligius en tijdens die laatste jaren verrichtte hij het ene wonder na het andere.

Een van de legenden uit die periode verhaalt hoe bisschop Ermenius (Erminus) van Limoges zwaar ziek was en in een koortsdroom hoorde over Tillo's dood die aanstaande was. De bisschop genas onmiddellijk en spoedde zich naar Tillo. Nog net op tijd was hij bij hem. Die koortsdroom kwam goed uit, want ook Tillo, inmiddels over de 90, voelde zijn einde ook naderen. Hij stuurde iemand naar Ermenius met de vraag of deze hem wilde bijstaan in zijn laatste momenten. Tillo stierf op 7 januari, dan wel op 16 januari. Op een van beide dagen kan zijn liturgische feestdag gevierd worden. Tillo werd als een heilige bijgezet in de grote abdijkerk van Solignac. Volgens de overlevering druppelde er uit zijn kist lange tijd een geurige olie.
Hij wordt vooral vereerd in Izegem en gewoonlijk gewoonlijk afgebeeld als monnik met een kelk of goudsmidgereedschap.
Jacopo (Chimenti) da Empoli (1551–1640)
Sant’Eligio nella bottega dell’orefice (1614)
Olieverf op doek; 277 x 173 cm
Florence - Uffizi
2016 Paul Verheijen / Nijmegen