Paul Verheijen

REMBRANDT

Belsassars feest

Teken aan de wand, gewogen en te licht bevonden

Het onderwerp van dit schilderij van Rembrandt, het decadente feest van koning Belsassar, is te lezen in Daniël 5. Wij hebben er de twee gezegdes in de koptitel aan te danken.
Rembrandt heeft de sfeer van verwarring en verbijstering weergegeven die ontstond bij dit feest. De spanning stijgt nog meer omdat tot het eind van het verhaal onduidelijk blijft wat die losse mensenhand nou eigenlijk geschreven heeft.
Dit schilderij behoort tot een groep grootschalige historiestukken uit het midden van de jaren 30 van de 17de eeuw. Hij laat in die periode zijn drang naar felle dramatiek en beweging de vrije loop en was geboeid door de rijkdom, de vele kleuren en textuur van exotische, oosterse kleding.
Met een ruk draait koning Belsassar zich om naar de schrijvende hand, waarbij Rembrandt tegelijkertijd zowel een weelderig kostuum als angst uitbeeldt.
Rembrandt haalt uit deze scène alles wat erin zit: de vurige letters stralen een fel schijnsel uit, rechts tuimelt de weelderig in het rood geklede vrouw bijna uit het schilderij, waarbij ze wijn morst uit haar kostbare kelk, en links deinzen twee gasten achteruit, met open monden van verbijstering en angst.
In strijd met wat in de westerse beeldende kunst gebruikelijk was, heeft hij het 'teken aan de wand' in Hebreeuwse letters op bijzondere wijze weergegeven.

Vingers van een hand

Rabbijn Menasseh ben Israel (Rembrandte maakte een geëtst portret van hem) opperde in zijn boek De termino vitae (1639) het vermoeden dat de experts geen raad wisten met de tekens omdat ze behalve - zoals gewoonlijk in het Hebreeuws - gelezen moesten worden van rechts naar links, maar bovendien van boven naar beneden.
Hetzelfde is het geval op het schilderij. Daar lezen we dan: MNE, MNE, TKL, UFR, SIN, waarbij de hand de laatste 'N' schrijft.
Bij de losse vingers van een mensenhand zonder de rest van het lichaam denk je in eerste instantie misschien aan een enge scène uit een horrorfilm. In het Hebreeuws zou het een metafoor voor de macht van God kunnen zijn. Het woord 'hand' staat daar in die taal wel eens voor, maar dit deel van het boek Daniël is geschreven in het oudere Aramees en daar is dit verband onbekend. Het horror-effect op de koning is in elk geval evident: Hij trok wit weg, in verwarring gebracht door zijn gedachten. Hij stond te trillen op zijn benen en zijn knieën knikten. Luidkeels riep hij om de bezweerders, de Chaldeeën en de waarzeggers.
Waarom konden deze experts de tekst niet lezen?
Gesuggereerd is dat zij de ongevocaliseerde Aramese tekst mn' tql wprsn lazen als de zelfstandige naamwoorden mané teql waparasin, die staan voor de gewichten mina, sjekel en halve mina. Maar welke betekenis heeft zo'n merkwaardige opsomming in de situatie van de scène? Snappen die wijze mannen het daarom niet?
In het licht van het oude Aramese taalgebruik is het waarschijnlijker dat de scène juridische verbanden oproept. De combinatie van het zelfstandige naamwoord yad, 'hand', met het werkwoord ktb, 'schrijven', roept de associatie op van een 'handtekening'. Nog voor de de inhoud van de boodschap ontcijferd kan worden, is het door het gekozen beeld duidelijk dat het om een oordeel gaat dat door God met een handtekening wordt bekrachtigd.
Het woordspel van de tekst is dat de ongevocaliseerde Aramese tekst ook gevocaliseerd kan worden tot mné tqél uparsín. Daniël lukt het wél om met deze vocalisatie deze woorden een bevredigende betekenis te geven: 'menee' – God heeft de dagen van uw koningschap geteld en er een einde aan gemaakt; 'tekeel' – u bent gewogen en te licht bevonden; 'perees' – uw koninkrijk is verdeeld en aan de Meden en de Perzen gegeven.
Rembrandt van Rijn (1606-1669)
Belsassars feest (circa 1635)
Olieverf op doek, 168 x 209 cm
Londen - National Gallery
2016 Paul Verheijen / Nijmegen