Grondlegger
Sabas van Mar-Saba (ook de Gewijde of van Palestina genoemd) is in 439 geboren in Moetalaska in Cappadocië. Zijn vader Johannes was legerofficier en toen deze door onlusten in Egypte met zijn vrouw Sophia naar Alexandrië moest gaan, vertrouwde hij Sabas en de zorg voor zijn bezit toe aan Hermias, een broer van Sophia. Diens vrouw behandelde Sabas zo hardvochtig dat Sabas naar Gregorius ging, de broer van zijn vader die ook het bezit opeiste. Dat leidde tot vijandigheden en rechtszaken tussen Gregorius en Hermias waar Sabas aanstoot aan nam. Toen hij ongeveer 18 jaar was moet hij op de vlucht in Palestina terecht zijn gekomen. Daar vond hij onderdak in het klooster van Theoctistus, waarin ook zijn leermeester Euthymius de Grote verbleef. Kort daarna koos Sabas voor een kluizenaarsbestaan. Hij leefde onder meer in de ruïne van een toren in het onherbergzame Kedrondal. Vijf dagen in de week at hij niet en besteedde hij de tijd aan gebed en handwerk. Van palmtakken vlocht hij tien korven per dag
Als mooi voorbeeld van ascetisch leven mag het verhaal gelden uit de door Cyrillus van Skythopolis geschreven Vita uit circa 555 dat Sabas eens bekoord was buiten de voorgeschreven maaltijd een appel te eten. Hij gooide de appel weg en deed een gelofte nooit meer appels te eten.
Vanwege hun manier van leven genoten kluizenaars een groot aanzien. Sabas kreeg volgelingen die hij apart van elkaar onderbracht in hutten en grotten. Daaruit ontstond Mar-Saba, een naar hem genoemde laura, kring, gelegen tussen Jeruzalem en de Dode Zee. Dit werd het moederklooster van de sabaïeten. In 491 werd Sabas tot priester gewijd en drie jaar later aangesteld als overste van zijn monniken.
Maar op den duur boterde het niet meer tussen hem en zijn volgelingen die te soepel gingen leven. Sabas stichtte nog zes kloosters, waaronder in 508 een nieuwe laura in Thekoa. Hij bepaalde de gedragsregels van dat kloosterleven. Toen zijn moeder Sophia weduwe was geworden, verkocht zij haar goederen en eindigde onder de leiding van Sabas haar laatste levensdagen. Van het geld dat zij meebracht, bouwde Sabas gasthuizen en kloosters.
Sabas zelf overleed in 532 en bij zijn laatste rustplaats vonden veel wonderen plaats.
Het Roomse Martelaarsboek herdenkt hem op 5 december:
In Judea de heilige abt Sabas, te Mutala, een stad in Cappadocië, geboren. Hij scheen uit door het wonderbare voorbeeld van zijn heiligheid en werkte met kracht voor het katholieke geloof tegen hen, die de kerkvergadering van Chalcedon bestreden. Eindelijk is hij in de laura van het bisdom Jeruzalem, die later de naam Sint Sabas kreeg, in vrede ontslapen.
Sabas is vooral een heilige binnen de oosters-orthodoxe kerk, maar werd ook in het westen vereerd. Al in de 9e-eeuw was er een kerk op de Aventijn in Rome aan hem gewijd nadat de monniken daarheen gevlucht waren vanwege invallende Arabieren. In de middeleeuwen maakten Venetianen zich van zijn relieken meester. Als geste naar de oosterse kerken werden die in 1965 teruggegeven aan Mar-Saba.
|
Gravuretekst
Deze gravure van de familie Sadeler is prent 12 van een serie van 25 anachoreten. De Latijnse tekst eronder is typisch voor Sadeler-prenten: een moralisering in gepolijst Latijn, die de ascetische kwaliteit van de afgebeelde kluizenaar, in dit geval Sabas, samenvat.
In de linkerkolom lezen we de Latijnse tekst:
Supra homines supraque feras euasit in altum SABA. vide rupes, inuià saxa vide.
Boven mensen en boven de dieren is Sabas naar de hoogte ontsnapt. Zie de rotsen, aanschouw de ontoegankelijke stenen.
Rechts staat:
Huc tamen et panes et acquam pia turba ferebat. Quo non ascendit numinis altus amor?
Toch bracht een vrome menigte hier brood en water. Waarheen stijgt de hoge liefde tot het goddelijke niet op?
Het distichon drukt links uit de verhevenheid en radicale afzondering van Sabas en rechts de zorg van gelovigen én het idee dat ware godsliefde alles overstijgt.
|