Simon de MagiërVoordien had een zekere Simon in de stad magie bedreven en de bevolking versteld doen staan. Hij beweerde over bijzondere gaven te beschikken, en iedereen, van groot tot klein, keek vol ontzag naar hem op omdat ze werkelijk meenden dat de grote macht van God in hem zichtbaar werd. Hij boezemde de bevolking ontzag in omdat hij hen geruime tijd verbaasd had met zijn magische kunsten. Maar toen Filippus hun het koninkrijk van God en de naam van Jezus Christus verkondigde, kwamen ze tot geloof en lieten zich dopen, mannen zowel als vrouwen. Ook Simon kwam tot geloof en liet zich dopen. Vanaf dat moment bleef hij voortdurend bij Filippus; hij stond versteld van de tekenen en de machtige wonderen die hij zag gebeuren.Meer krijgen we over Simon de Magiër uit het Tweede Testament niet te weten, maar de traditie neemt daar geen genoegen mee. Zie bijvoorbeeld het fresco van Lorenzo Sabatini in de Cappella Paolina in het pauselijk paleis. Ook de Legenda Aurea weet zoals gewoonlijk veel meer te vertellen. Simon treedt daar op in hoofdstuk 44 over Petrus' Stoel, in hoofdstuk 84 over Petrus zelf en in hoofdstuk 166 over Clemens. Dit fresco zal zich hierop hebben gebaseerd. De Voragine gebruikt naar eigen zeggen verschillende bronnen hiervoor. In die tijd was er in Jeruzalem een tovenaar, Simon genaamd, die zich de Opperste Kracht noemde. Hij beweerde dat wie in hem geloofden eeuwig leven zouden hebben, en hij zei dat voor hem niets onmogelijk was. In het boek van Clemens staat ook dat hij zei: 'Ik zal openlijk als God worden aanbeden en met goddelijke eerbewijzen worden bejegend en alles wat ik wil, zal ik kunnen doen. Mijn moeder Rachel stuurde me eens naar het veld om te maaien. Ik zag een sikkel liggen en ik gaf de sikkel opdracht om te maaien, en hij maaide tien keer zoveel als de andere.' En volgens een bericht bij Hiëronymus voegde hij er nog het volgende aan toe: 'Ik ben het Woord van God, ik ben schitterend, ik ben de Trooster, ik ben almachtig, ik ben alles van God.' Hij liet ook bronzen slangen bewegen, bronzen en stenen beelden lachen en honden een lied aanheffen. Linus vertelt dat deze man met Petrus wilde debatteren en wilde laten zien dat hij God was. Op de afgesproken dag kwam Petrus naar de plaats van het dispuut en zei tegen de aanwezigen: 'Vrede zij u, broeders die de waarheid liefhebt!' Maar Simon zei: 'Wij hebben uw vrede niet nodig. Want als er vrede en eendracht is, zullen we geen vorderingen kunnen maken in het vinden van de waarheid. Rovers hebben onder elkaar ook vrede. Roep daarom niet de vrede aan, maar de strijd. Want wanneer er twee vechten, zal er vrede zijn nadat er een het onderspit heeft gedolven.' Petrus antwoordde: 'Waarom bent u bang het woord 'vrede' te horen? Oorlogen worden immers geboren uit zonden. Maar waar niet wordt gezondigd, daar heerst vrede, wordt de waarheid gevonden in disputen en de gerechtigheid in werken.' Simon weer: 'Wat u zegt, betekent niets. Maar ik zal u mijn goddelijke macht tonen: zult u mij dadelijk aanbidden. Ik ben de Opperste Kracht, en ik kan door de lucht vliegen, nieuwe bomen maken, stenen in brood veranderen, zonder letsel in het vuur blijven. Alles wat ik wil, kan ik doen.' Met deze man ging Petrus dus in debat en hij legde al diens toverkunsten bloot. Toen zag Simon dat hij niet tegen Petrus was opgewassen. Hij gooide al zijn toverboeken in zee om zichzelf niet als tovenaar te verraden en reisde naar Rome opdat men hem daar voor God zou houden. Zodra Petrus hiervan hoorde, ging hij hem achterna en vertrok ook naar Rome.Petrus zetelde hier volgens De Voragine 25 jaar, stelde Linus en Cletus aan als zijn hulpbisschoppen, legde zich toe op preken, bekeringen en genezingen. Hij bekeerde vier minaressen van prefect Agrippa die daarna weigerden naar hem terug te gaan. Agrippa zocht een gelegenheid om tegen Petrus op te treden. Christus verscheen hierop aan hem, waarschuwde hem voor het naderend onheil en beloofde Petrus de hulp van Paulus. Petrus wijdde Clemens tot bisschop en stelde hem aan als zijn opvolger. Keizer Nero vermoedde dat Simon de Tovenaar de zoon van een god moest zijn wat Simon wist uit te buiten door Nero te vragen hem te onthoofden waarna hij na drie dagen zou verrijzen. Maar listig zorgde Simon dat de beul een ram onthoofdde. Na drie dagen verscheen Simon voor Nero die verbijsterd was. Maar Petrus en Paulus maakten, zoals Leo getuigt, hun opwachting bij Nero en onthulden zijn toverkunsten. Petrus voegde daar nog aan toe: 'Zoals er in Christus twee naturen zijn, namelijk God en mens, zo zijn er ook in die tovenaar twee naturen, namelijk mens en duivel.' Toen zei Simon, zoals sint Marcellus en Leo getuigen: 'Om deze vijand niet langer te hoeven verdragen, zal ik mijn engelen bevelen mij op hem te wreken.'Petrus antwoordde: 'Ik ben niet bang voor uw engelen, zij zijn bang voor mij.' Nero zei: 'Bent u dan niet bang voor Simon, die zijn goddelijkheid door zijn daden bevestigt?' Waarop Petrus antwoordde: 'Als er goddelijkheidin hem is, laat hij mij dan nú zeggen wat ik denk of wat ik ga doen. Wat ik in gedachte heb, zal ik eerst in uw oor fluisteren. Dan zal hij het niet wagen verzinsels te vertellen over wat ik denk.' Nero zei: 'Kom hier en zeg me wat u denkt.' Petrus kwam dichtij en zei zachtjes: 'Laat men een gerstebrood voor me halen en het mij ongemerkt geven.' Het werd gehaald en Petrus zegende het en verstopte het in zijn mouw. Toen zei hij: 'Laat Simon, die van zichzelf een god maakt, zeggen wat er gedacht, gezegd en gedaan is.' Simon antwoordde: 'Laat Petrus liever zeggen wat ik denk.' En Petrus zei: 'Ik zal laten zien dat ik weet wat Simon denkt door te doen wat hij heeft gedacht.' Toen riep Simon boos uit: 'Laten er grote honden komen en hem verslinden', en onmiddellijk kwamen er reusachtige honden tevoorschijn en vielen Petrus aan. Maar hij hield ze het gezegende brood voor en joeg ze op de vlucht. Hij zei tegen Nero: 'Zie, ik heb laten zien dat ik wist wat Simon tegen mij in de zin had, niet met woorden, maar met daden. Want die voorspeld had dat er engelen tegen mij zouden optreden, heeft honden laten komen. Zo laat hij zien dat zijn engelen niet goddelijk zijn, maar honds' Simon zei: 'Luister, Petrus en Paulus. Al kan ik u hier niets doen, we zullen ergens komen waar het mij past u te straffen. Deze keer zal ik u ontzien.' Aldus Leo.Hierna volgt het zogenaamde Quo Vadis verhaal en uiteindelijk Petrus' kruisiging. Zie de pagina met informatie over Petrus.
Op het fresco zien we Petrus en Paulus in de discussie met Simon Magus voor de troon waarop keizer Nero zit. Zeven figuren kijken belangstellend toe. Links is de kruisiging van Petrus afgebeeld.
Sommige theorieën stellen dat Masaccio de slotscène van het martelaarschap van Petrus al had geschilderd op de muur achter het altaar van de kapel. Omdat bij het altaar in principe alleen bijbelse scènes worden afgebeeld werd dit fresco vernietigd om plaats te maken voor een Madonna-afbeelding. Vervolgens schilderde Filippino Lippi de kruisigingsscène op de toen nog kale rechtermuur, toen hij de opdracht kreeg om de cyclus te voltooien en de beschadigde gedeelten te herstellen. Lippi heeft geprobeerd de episode in een precieze historische context te plaatsen, buiten de gebruikelijke iconografie. De architectuur van de muren en de poort, de interactie tussen de muren en de piramide, worden gepresenteerd alsof ze zijn overgenomen van de werkelijke situatie in Rome, zoals het er vandaag de dag nog steeds uitziet, ondanks de veranderingen die sindsdien zijn aangebracht aan de oude Porta Ostiense (nu Porta San Paolo, zie afbeelding), met de piramide van Caius Cestius aan de linkerkant en de Aureliaanse muren die ertegenaan sluiten. Hoewel de marteldood van Petrus hier volgens de traditie niet plaatsvond, bevindt de kijker zich wel direct in Rome. |
|
Filippino Lippi (1457-1504)
12 - Disputa di Simone Mago e crocifissione de san Pietro (±1425) Fresco, 232 x 588 cm Florence - Santa Maria del Carmine (Brancaccikapel) |
| 2016 Paul Verheijen / Nijmegen |