|
||
Santa Maria del Carmine en de karmelietenToen de karmelieten zich in Florence vestigden tussen 1268 en 1290, was de wijk San Frediano nog relatief open en minder dicht bebouwd dan de wijken binnen de oude stadsmuren. Grond was er goedkoper en makkelijker te verkrijgen, ideaal voor een orde die een groot kloostercomplex wilde bouwen. De karmelieten — net als de franciscanen en dominicanen — behoorden tot de bedelorden. Die wilden bewust leven dicht bij de armen, niet in de rijke wijken. San Frediano, een volkse en ambachtelijke wijk, paste perfect bij deze missie. San Frediano groeide in de 13e eeuw snel door ambachtslui, immigranten van het Toscaanse platteland, seizoensarbeiders en kleine landbouwers. Het stadsbestuur vond het nuttig dat een religieuze orde pastorale zorg bood in de vorm van katechese, ziekenbezoek en sociale hulp. De karmelieten vulden een lacune in een wijk met weinig kerkelijke infrastructuur. In de tweede helft van de 13e eeuw werd San Frediano opgenomen binnen nieuwe stadsmuren. Hierdoor werd de wijk interessanter voor ordes om zich hier permanent te vestigen. De karmelieten kwamen oorspronkelijk uit Palestina/Berg Karmel en waren in Europa nog relatief nieuw. Florence was een strategische stad om hun aanwezigheid in Toscane te versterken. Door in een arme maar groeiende wijk een groot klooster te stichten, de Santa Maria del Carmine, creëerden ze een missionair en sociaal centrum. |
||
Familie Brancacci
Verschillende Florentijnse families uit de Oltrarno steunden de karmelieten financieel. Dit maakte de bouw van een grote kerk en klooster mogelijk. De nascenti Oltrarno-aristocratie zou later de Cappella Brancacci laten bouwen, in kunsthistorisch opzicht nu de belangrijkste kapel in de Santa Maria del Carmine.
Deze kapel in de rechterarm van het transept is door Piero di Piuvichese Brancacci* aan de kerk geschonken. Hij liet daarvoor in zijn testament van 20 februari 1367 een som van tweehonderd florijnen na. De stichting van een kapel zag hij als symbool van aanzien van de familie Brancacci. Piero was trouwens de man die het meest aan het familiekapitaal had bijgedragen. Toch zou het nog tientallen jaren duren voor met het schilderen van de fresco's begonnen werd. Zijn zoon Antonio zette in 1387 de constructie van de kapel in gang.
In 1780 ging de kapel over naar de familie Riccardi. * Het wapenschild van de Brancacci-familie is een voorbeeld van araldica parlante, sprekende heraldiek, waarbij het familiewapen direct verwijst naar de familienaam. Het bestaat uit twee (leeuwen)klauwen, omdat het Italiaanse branca, klauw betekent |
||
ToneelopvoeringenDe kapel zelf lag zeer gunstig in de kerk: goed zichtbaar en dicht bij het hoofdaltaar, waar in vieringen populaire sacra rappresentazione, toneelvoorstellingen van heilige of bijbelse gebeurtenissen, opgevoerd. De kapel en in het bijzonder de decoraties maken ook deel uit van zo'n mystiek spel dat op Hemelvaart werd gehouden. Masolino schilderde voor het decor van de Hemelvaart onder meer engelen en wolken.Zo'n opvoering was een waar spektakel. Er was een koor, er werd gedanst en gemusiceerd door ‘engelen’ terwijl toneelspelers de Hemelvaart opvoerden. Dit alles tegen de achtergrond van een decor dat verlicht werd door talloze kaarsen op vele kandelaars. Het hoogtepunt was het moment als Christus in een zee van licht ten tonele verscheen. Christus steeg op tot aan de gotische gewelven. Brunelleschi had hiervoor een slimme machine voor de hemelvaart ontworpen. De dag dat Christus ten hemel steeg, overhandigde hij aldus een populaire legende de sleutels aan Petrus. Zo is de frescocylus in de Brancacci-kapel die over Petrus gaat een mooie achtergrond voor de uitvoering van de Hemelvaart. |
||
OpdrachtenIn 1423 kregen Masolino en Masaccio de opdracht van Felice Brancacci, neef en erfgenaam van Piero, een frescocyclus te schilderen over het leven van de apostel Petrus, de patroonheilige van Piero. Er is een document bewaard waaruit blijkt dat Masolino in juli 1425 betaald kreeg. Masolino was toen ongeveer veertig jaar en Masaccio rond de twintig. Twee jaar later kreeg Masolino de kans om hofschilder te worden in Hongarije. Masaccio kreeg daarom de verantwoording over het project, maar toen hij in 1428 overleed, bleef de Brancacci-kapel onafgemaakt achter.De kapel is niet meer in zijn oorspronkelijke staat. Toen Felice Brancacci in 1435 door de Medici uit Florence was verbannen, werd de kapel gewijd aan Maria. Alle sporen van de familie werden uit de kapel verwijderd. Portretten van de Brancacci’s werden uitgewist. Vijftig jaar lag het project stil, totdat Filippino Lippi in 1482 de opdracht kreeg de fresco’s af te maken. Als het aan markies Francesco Ferroni had gelegen, waren de fresco’s verdwenen. In 1680 wilde hij de kapel kopen en net zo inrichten als de Corsini kapel aan de andere zijde van het transept. Hij vond de schildering maar niets met ‘die lelijke figuren gekleed in lange golvende mantel en wijde overkleden.’ De groothertogin Vittoria della Rovere greep echter in en verbood dit. Het alternatief dat Marquis voorstelde: de fresco’s van de muur te halen en ergens anders bewaren, vond Vittoria ook te ver gaan. Delen van de oorspronkelijke frescocyclus zijn verdwenen zoals in de gewelven, de drie lunetten en delen van de wand bij het altaar. Tussen 1746 en 1748 is het kruisribgewelf verwijderd vanwege grote lekkages. Masolino had hier in de vier gewelfvelden de evangelisten geschilderd. In 1734 werd het nieuwe plafond voorzien van schilderingen met de heilige Simon Stock die het scapulier van Maria ontvangt (zie onder). Carlo Sacconi (1692-1747) schilderde architectuurmotieven in de lunetten. Daarnaast kreeg de kapel een nieuw raam en ook dit betekende dat delen van de fresco’s verdwenen zijn. In de nacht van 28 op 29 januari 1771 brak er een brand uit. Terwijl de kerk grotendeels afbrandde, bleef de kapel van Brancacci nagenoeg onbeschadigd. Maar dat geldt niet voor de fresco's. Met name de kleuren ervan moesten het op veel plekken ontgelden. In 1780 kwam de kapel in handen van een andere familie: Riccardi. Gabriello Riccardi liet de kapel restaureren en stelde haar open voor het publiek. |
||
Simon Stock krijgt scapulier![]() De stam (Engels stock) waarin Simon Anglus ('de Engelsman') als jongeman woonde, gaf hem zijn bijnaam. Berichten over hem zijn schaars. Hij leefde van circa 1165 tot 1265 en was afkomstig uit de streek van Kent in Engeland. Als jongeman zou hij een pelgrimage hebben gemaakt naar het Heilig Land en zich daar bij een kleine gemeenschap van kluizenaars op de berg Karmel hebben gevoegd. Teruggekeerd naar Europa werd hij op late leeftijd karmeliet en in 1245 de zesde ordegeneraal in Londen. Hij heeft veel bijgedragen aan het verspreiden van de orde in Europa door het stichten van verschillende ordehuizen in universiteitssteden (Cambridge, Oxford, Parijs, Bologna) waarbij hij de orde hervormde van kluizenaars tot bedelorde naar het model van de pas ontstane ordes van de franciscanen en dominicanen. Hij schreef de hymne Flos Carmeli, bloem van de Karmel. Zijn relieken werden in 1951 van zijn sterfplaats Bordeaux overgebracht naar Aylesford en zijn liturgische gedenkdag is op 16 mei. De scène die Vincenzo Meucci (1694-1766) op het plafond schilderde speelde zich af op 16 juli 1251 in Cambridge. Simon kreeg toen een verschijning van Maria della Carmine. Zij gaf hem een scapulier, devotioneel kledingstuk, afgeleid van het Latijnse woord voor schouder (scapula), gedragen door monniken over hun habijt als bescherming en symbool van toewijding, en later verkleind tot twee lapjes stof (meestal bruin wol) verbonden door linten of een kleine medaille, gedragen door leken onder de kleding, vaak geassocieerd met de Maagd Maria en de karmelieten. Het kleine scapulier heet in het Italiaans pazienza dat ook 'geduld' betekent. De oorspronkelijke scapulier diende als onderpand voor het zielenheil van wie het scapulier droeg. Ook zou de drager de zaterdag volgens op zijn dood bevrijd worden uit het vagevuur. De traditie van Stocks visioen en de zaterdagaflaat is vaak aangevallen en in twijfel getrokken. |
||
Achtermuur
Direct boven het altaar op de achtermuur (E) bevond zich de kruisiging van Petrus. Mogelijk is deze kruisiging verdwenen op het moment dat het altaarstuk, de Madonna del Popolo, van het hoofdaltaar in de kerk verhuisde naar de kapel van Brancacci. Dit paneel, zo dacht men, kwam uit het heilige land nog vóór de komst van de islam. Een uiterst kostbaar bezit dat in handen van de karmelieten was gekomen. De afbeelding had al menig wonder verricht. Dit tempera op paneel van 262 x 124 cm dateert uit ongeveer 1268. In het verleden werd het toegeschreven aan Coppo di Marcovaldo (Antonio Paolucci) of de Meester van St. Agatha, terwijl de maker tegenwoordig voorzichtiger wordt aangeduid met de noodnaam 'Meester van de Madonna del Carmine'.
|
||
RestauratieBij de grote restauratie van 1981-1990 bleek bij de lunetten, dat er niets meer was overgebleven. Bij de wanden naast de vensters zijn echter nog delen van sinopia’s, schilderingen in donkere roodbruine aardkleur, gevonden. De oorspronkelijke fresco's zijn ook geschilderd door Masolino en/of Masaccio en hadden betrekking op het leven van Petrus: Roeping (A), Berouw (B), Verloochening (C) en Lopen over water naar Christus (D). De fresco's 01 en 02 werden tijdens de restauratie ontdaan van latere kuise vijgebladeren bij Adam en Eva.Verder werd het altaar van de wand gehaald en werden belangrijke originele fragmenten ontdekt waaronder twee medaillons. De kleuren waren nog onaangetast. |
||
Petrus cyclusIn de meest Renaissance frescocycli staat het leven van Jezus of Maria centraal, zoals in de fresco’s van Giotto. Maar in de Brancacci-kapel tonen de fresco’s de belangrijkste momenten zoals gezegd uit het leven van Petrus. Hij staat telkens afgebeeld met een oranje gewaad. Masolino en Masaccio - al dan niet in opdracht van Pietro Brancacci - selecteerden uit het leven van Petrus vooral de verhalen over de armen. De kerk stond in een arme wijk van Florence. De verhalen uit het leven van Petrus boden de armen hoop en dienden als voorbeeld. Een vroom leven gaf immers verlossing in het hiernamaals.De Petrus-cyclus in het boven- en onderregister bevat twaalf voorstellingen, waarvan de fresco's 01 en 02, de beproeving van Adam en Eva in het paradijs en hun uitdrijving daaruit een soort premisse zijn. In het paradijs heeft de mens zijn band met God verbroken. Christus heeft die band hersteld door zijn wonderbaarlijke werken op aarde en zijn opvolger, Petrus dus, zet dit werk met zijn eigen wonderen voort. De Legenda Aurea vat in hoofdstuk 84, de hagiografie over Petrus, de belangrijkste gebeurtenissen uit diens leven in een paragraaf samen: Hij was het die over het meer naar de Heer toeliep, hij werd door God uitverkoren om bij de gedaanteverandering van de Heer en bij de opwekking van het meisje aanwezig te zijn, hij vond een stater in de bek van de vis, hij ontving van de Heer de sleutels van het koninkrijk der hemelen, hij kreeg van Christus zijn schapen te hoeden, op het Pinksterfeest bekeerde hij door zijn verkondiging drieduizend mensen, hij genas met Johannes de kreupele en bekeerde er toen vijfduizend, hij voorzegde Ananias en Saphira hun dood, hij genas de verlamde Eneas, hij doopte Cornelius, hij wekte Tabita weer tot leven, door de schaduw van zijn lichaam genas hij zieken, hij werd door Herodes in de kerker gezet, maar door een engel bevrijd.Verder besteedt De Voragine aandacht aan Petrus' Stoel (hoofdstuk 44) en Petrus' Banden (hoofdstuk 106). De cyclus heeft deze Legenda Aurea als leidraad genomen. De nummering 03-12 is gemaakt op grond van de chronologie van Petrus' leven. |
||
Fresco's 01-12 |
||
|
|
| 2016 Paul Verheijen / Nijmegen |