Paul Verheijen

JAN VAN BRUSSEL

Palude diptiek


Voorzanger

Na 1488 schonk Henri ex Palude (gestorven 1515), kanunnik en voorzanger van de Sint-Lambertuskathedraal in Luik, en een invloedrijk persoon, het kapittel dit tweeluik.
De patroonheiligen van de kathedraal zijn Maria en Lambertus die dan ook het onderwerp zijn van de voorzijde van het diptiek.

Maria

Op het linkerluik wordt de Geboorte van Christus afgebeeld.
De rust van deze compositie staat in contrast met de dramatische dynamiek van het rechterpaneel.
De ruïnes van een gebouw dienen als stal.
Op een veld op de achtergrond, ontvangen de herders van de engel het nieuws van de geboorte.
De aanwezigheid van een zuil tussen de ruïnes verwijst naar de Openbaringen van Birgitta van Zweden volgens welke de Maagd Maria zou zijn bevallen met haar rug geleund tegen deze zuil.
De kaarsenvlam die Jozef met zijn hand beschermt, staat symbool voor zijn rol in de Heilige Familie.

Lambertus

Op de voorzijde van het rechterluik is het martelaarschap van Lambertus geschilderd.
Deze vindt plaats in een kapel, zoals gebruikelijk in de middeleeuwse iconografische traditie.
De biddende heilige bisschop wordt dodelijk verwond door een soldaat die hem een stoot toebrengt met zijn lans.
Zijn twee acolieten ondergaan hetzelfde lot, de ene (aan de rechterkant) wordt geslagen met een kromzwaard, de andere (aan de linkerkant) met een zogenaamde guiserne, een halvemaanvormige zwaardstok met een lange steel om door harnassen te steken.
Op het altaar is een goudkleurig retabel te zien met in het midden een Christus als heerser.

Palude heeft zich in deze scène knielend rechts door Jan van Brussel laten uitbeelden met het insigne van de functie van kanunnik: een staf met een vogel erop. Hij heeft jonge trekken en voor hem ligt zijn wapenschild.

Lambertus van Maastricht was bisschop van deze stad in een woelige tijd, waarin ook bisschoppen niet zeker waren van hun zetel, en zelfs niet van hun leven. Geboren rond 635 - men zegt te Maastricht - werd hij opgevoed en gevormd door zijn oom Theodard, een Frankische edelman, en een priester Landoald uit de omgeving van bisschop Amandus. Lambertus' oom was een leerling van de abt Remaclus van Stavelot (feestdag 3 september), die rond 650 aldaar een abdij stichtte. Theodard, vanaf 655/60 bisschop van Maastricht, werd, toen hij zich omstreeks 672 bij de Frankenkoning Childerik II wilde gaan beklagen over plunderingen in zijn bisdom door grootgrondbezitters en belastingambtenaren, op zijn reis naar het hof vermoord. Lambertus volgde hem op, maar moest al na drie jaar, toen de hofmeier Ebroin de koning vermoord had, uitwijken naar de abdij van Stavelot, waar hij zeven jaar verbleef. Toen Pippijn II van Herstal (±635–714) de rebel overwonnen had, kon Lambertus zijn zetel weer bezetten. Hij heeft in Brabant, wellicht in samenwerking met zijn jongere tijdgenoot Willibrord, het christendom verkondigd en er kerken gesticht. In 705/06 werd hij te Luik bij de kapel, die hij ter gedachtenis aan zijn oom Theodard had laten bouwen, om het leven gebracht. De omstandigheden rond deze aanslag zijn onduidelijk.

Sommige bronnen doen een vete vermoeden: nadat twee mannen zich aan het goed van de kerk hadden vergrepen, werden zij gedood door aanhangers van Lambertus, waarna de bloedverwant van de twee rovers, graaf Dodo, wraak op Lambertus nam.
Andere, minder betrouwbare berichten uit 850-60 spreken van de woede van Pepijn, die door de bisschop wegens echtbreuk zou zijn terechtgewezen door aan Pepijns tafel te weigeren de beker met wijn te zegenen. Lambertus, die de dood zonder verzet onderging, werd spoedig als martelaar vereerd. Zijn lichaam bracht men naar Maastricht, waar het bij Sint Pieter begraven werd.
De legende vertelt enkele anekdotes.
  • Lambertus zou in zijn jeugd tijdens de liturgie eens bij gebreke van een wierookvat de gloeiende kolen die hij moest halen, in een doek op zijn hand aangedragen hebben.
  • De abdis Landrada van Münsterbilsen (feestdag 8 juli), lerares van de abdis Amalberga van Susteren, zou hem zijn verschenen om hem haar dood en begraafplaats bekend te maken.
  • Bij zijn dood zou een groot lichtend kruis aan de hemel verschenen zijn.
  • In de Legenda Aurea lezen we nog dit:
    Lambertus nam zijn intrek in een klooster en leidde daar zeven jaar lang een voorbeeldig leven. Toen hij eens 's nachts opstond om te bidden, maakte hij per ongeluk een geluid op de vloer. De abt hoorde het en sprak: 'Wie dit geluid ook gemaakt heeft, hij gaat onmiddellijk naar het kruis!' Lambertus liep dadelijk op blote voeten in zijn haren onderkleed naar het kruis en bleef daar zolang stokstijf in sneeuw en ijs staan tot de abt merkte dat hij tussen de broeders ontbrak, toen die zich na de metten warmden. Een van de broeders vertelde hem dat het Lambertus was die naar het kruis was gegaan. De abt liet hem naar binnen halen en smeekte hem met de monniken om vergiffenis. Lambertus vergaf hun niet alleen van harte, hij hield voor hen ook een hooggestemde preek over het goed van het geduldig lijden.
    (Legenda Aurea 135,3-8)
In 717/18 bracht zijn opvolger Hubertus Lambertus' relieken met de bisschopszetel over naar Luik, waar men op de plaats van de aanslag met de bouw van een basiliek begonnen was. De Frankische adel vereerde Lambertus spoedig als heilige. In de middeleeuwen bracht men hem in verband met het Karolingische vorstenhuis. Zijn cultus werd vooral verspreid vanuit het in macht stijgende bisdom Luik en vanuit Trier. Hij werd patroon van steden en kloosters, van lammen (vanwege zijn naam) en blinden en van een aantal gilden. Men riep hem aan tegen allerlei ziekten van mens en vee. Rond zijn feestdag op 17 september ontwikkelden zich verschillende volksgebruiken. De voorstellingen tonen bijna altijd een jonge man zonder baard in bisschopsgewaad met mijter, staf, rationale (een versierd schouderstuk als teken van bisschoppelijke waardigheid; vergelijk Exodus 28:6-30), boek, kruis, zwaard, pijl of lans (moordwapens), een kerkmodel (Brabantse kerkstichtingen) en een doek met vlammende kolen. Soms liggen gewapende mannetjes aan zijn voeten.

Zijn legende is ook verbonden met die van Oda van Sint-Oedenrode over wier leven nauwelijks iets met zekerheid is te zeggen, want haar Vita werd pas vier eeuwen na haar dood geschreven. Ze zou een Ierse of Schotse prinses uit de 8e eeuw zijn die vlak voor haar huwelijk blind werd. Een pelgrim vertelde de koning dat er op het graf van Lambertus blinden werden genezen en Oda's vader zond haar daarom naar Luik. Ze genas, omdat Lambertus zelf haar het licht in de ogen zou hebben teruggegeven. Terug in het paleis wilde ze niet meer trouwen, maar haar leven aan God wijden. Ze verliet haar vader en trok rond door Limburg en Brabant en kwam uiteindelijk in Rhode terecht, een plaats die nu Sint-Oedenrode heet, waar ze in de bossen leefde als kluizenares. Een ekster, of een duif, zou haar hebben gewaarschuwd voor indringers in het bos. Haar gebeente wordt echter in Amay bewaard. Haar feestdag is op 27 november, soms op 28 november.

Achterzijde

De achterzijde van beide panelen bevat in grijstinten geschilderde taferelen, een soort trompe l’oeil waarmee beeldwerken worden geïmiteerd.
Links wordt het oordeel van Salomo verbeeld.
Rechts kijken we naar het verhaal van Jezus en de overspelige vrouw.
Jan van Brussel (werkzaam ±1464-92)
Palude diptiek (1489-92)
Olieverf op panelen
Luik - Grand Curtius
2016 Paul Verheijen / Nijmegen