Paul Verheijen

SIMON MARMION

Retabel


Reconstructie

Bisdom Terwaan / Thérouanne

Dit bisdom heeft een geschiedenis die zich over meer dan negen eeuwen uitstrekt. Tarvenna was de grootste nederzetting van de Morinen, een Belgische stam, en werd tijdens de Romeinse tijd een belangrijk knooppunt van heirwegen. Tussen 639 en 667 ondernam Audomarus (Omaar; feestdag 9 september), een monnik uit de Abdij van Luxeuil, de evangelisatie van de regio en werd aan het einde van zijn leven de eerste bisschop van Terwaan, met steun van de Merovingische koning Dagobert. Audomarus stierf circa 669 en zijn relieken werden gestolen. Over het bezit van relieken is de eeuwen door veel ruzie gemaakt. Een overblijfsel van een heilige trok veel gelovigen aan en bracht geld in het laatje. Over wie Audomarus' relieken zou hebben gestolen zijn de legendes niet eensluidend. Vermoed wordt dat ze uiteindelijk door Folcuinus (Folquinus of Volkwin; feestdag 14 december of 15 december), de vijfde bisschop van Terwaan, werden teruggegeven. Over het stoffelijke overschot van Folcuinus vertelt de legende dat het zou worden begraven op een eiland. Het water werd ijs zodat de begrafenisstoet kon oversteken. Zijn paard huilde en stierf met Folcuinus. Verder werd de stool van Folcuinus een toevluchtsoord voor zwangere vrouwen.

Een dramatische einde van het bisdom kwam op 20 april 1553 toen het bevel kwam om de stad volledig af te breken, inclusief de grote kathedraal, twee parochiekerken en verschillende kloosters en abdijen. Dit gebeurde in opdracht van keizer Karel V na zijn oorlogsverklaring aan de Franse koning. De vernietiging was zo grondig dat archeologen eeuwen later grote moeite hadden de overblijfselen te interpreteren. Er wordt zelfs verteld dat er zout zou zijn gestrooid om te voorkomen dat er ooit iets zou hergroeien. Slechts enkele elementen overleefden. Er werd bepaald dat Terwaan niet mocht worden heropgebouwd. Het bisdom werd officieel opgeheven en verdeeld over de nieuwe bisdommen Boulogne, Sint-Omaars en Ieper. Vandaag de dag is Thérouanne een klein Frans dorpje met ongeveer 1100 inwoners. De oude bisschopsstad wordt wel het 'Pompeii van het Noorden'.

Bertinus van Poperinge

Audomarus nodigde Bertinus van Poperinge uit hem te helpen bij zijn missiewerk. Bertinus stichtte om die reden een klooster dat als uitvalsbasis moest dienen voor de kerstening. De monniken legden moerassen droog en brachten de grond in cultuur. Onder leiding van Bertinus kwam de hele streek tot welvaart.
De legendes vertellen dat een rijke en losbadige vrouw uit de streek probeerde Bertinus te verleiden tot ontucht. Bertinus weerstond de bekoring. Volgens sommige versies vluchtte hij meteen weg, volgens andere sprak hij de vrouw streng toe en wees haar terecht. In sommige overleveringen wordt verteld dat de vrouw door schaamte en berouw haar leven beterde en zelfs een voorbeeld van boetvaardigheid werd.
Een andere legende vertelt over een wijnwonder. Een leeg wijnvat had zich vanzelf weer met wijn gevuld. Daardoor werd een van zijn paard gevallen ridder genezen die daarop intrad in het klooster. Later werden ook vier edelen uit Bretagne in de orde opgenomen. Volgens de legende koos Bertinus een nieuwe abt voor zijn klooster toen hij bijna honderd jaar was. Hij zou 122 zijn geweest toen hij in 698 stierf op 5 september (nu ook zijn liturgische gedenkdag). Zijn relieken worden bewaard in de Saint-Deniskerk in Saint-Omer.

Zijn leven in architectonische doorkijkjes

Guillaume Philastre, bisschop van Toul en abt van Saint-Omer, gaf Simon Marmion opdracht de zijluiken te beschilderen voor een retabel dat hij in 1459 aan de kloosterkerk schonk. Hier bleef dit kostbare werk bewaard tot de Franse Revolutie, toen het schrijn verdween in de beeldenstorm, maar de zijluiken bleven behouden. Het retabel staat bekend onder de naam 'Retabel van Sint-Bertinus' of 'Retabel van Saint-Omer'.
Omdat het altaarstuk werd vernietigd, blijft de oorspronkelijke vorm ervan onzeker. Het centrale schrijn lijkt versierd te zijn geweest met sculpturen van goud en zilver. De twee vleugels hebben de vorm van een predella, en de oorspronkelijke buitenoppervlakken (nu aan de achterkant) zijn versierd met grisailleschilderingen.
Van links naar rechts zien we telkens symmetrisch twee paren met banderol: Het belangrijkste werk voor Marmion was echter de gekleurde open zijde die zich over beide panelen uitstrekte en gewijd was aan het leven van Bertinus. In twee series van vijf scènes, gescheiden door ingenieuze architectonische doorkijkjes, wordt zijn leven uitgebeeld. In dit vrome verhaal moest de schenker van de panelen zelf voorkomen. Geheel links liet hij zich met een kapelaan knielend afbeelden. Een engel houdt zijn wapenschild vast. Van links naar rechts zien we:
  • Geboorte
  • Intreding in klooster
  • Uitnodiging door Audomarus
  • Stichting en bouw klooster
  • Wijnwonder
  • Intrede genezen ruiter
    Op de achtergrond is een vroeggotische kloostergang te zien, met aan de muren een doorlopend fresco dat een dodendans voorstelt. Twee personen bewonderen die de fresco's.
  • Intrede vier edelen uit Bretagne
    De intredende monniken in de kloostergang hebben zich verzameld onder een beeld van Johannes de Doper. Nog een toeschouwer van de fresco's leunt tegen een pilaar.
  • Verleiding door een rijke vrouw
    Het lijkt dat het hier bisschop Philastre zelf is die de vrouw vermanend toespreekt en zo de verleiding teniet doet.
  • Dood
Met hun subtiele gebruik van licht en schaduw en de briljante kleuren behoren deze panelen tot de mooiste bewaard gebleven voorbeelden van vroege Franse schilderkunst. Simon Marmion kwam uit Amiens en werkte vooral als miniaturist vanaf 1458 in Valenciennes. In zijn kleurgebruik en detailweergave modelleerde hij zich naar Jan van Eyck. Het natuurlijke gemak waarmee hij zijn verhaal vertelt en de miniatuurachtige kwaliteit van zijn schilderkunst verraden een meester in boekillustraties. Bijzonder verrassend is de schijnbaar moeiteloze manier waarop hij het ruimtelijke probleem van de kloostergang overwint door een achtergrond te integreren die bestaat uit twee verschillende architectonische elementen. Dit is een van de weinige schilderijen uit deze periode die erin slaagt zowel het interieur van een middeleeuwse kloostergang als de muurschilderingen ervan weer te geven.
Begin negentiende eeuw kwamen de vleugels in de collectie van Willem II van Holland terecht. Uiteindelijk erfden ze Prins zu Wied, die ze in 1905 aan de Berlijnse Galerie verkocht.
Simon Marmion (±1435-1489)
Retabel (±1459)
Twee eikenhouten zijluiken, 56 x 147 cm elk
Berlijn - Gemäldegalerie
2016 Paul Verheijen / Nijmegen