Paul Verheijen

JHERONYMUS BOSCH

Christoffel

Weg van gevaren

Christoffel wordt door Jheronimus Bosch overeenkomstig de legende weergegeven als een enorme reus vanaf een hoog standpunt.
We kijken over Christoffel heen de verte in waar een rivier in een grote watervlakte uitmondt.
Zelf staat Christoffel ook in water dat hij makkelijk in een paar passen zou kunnen doorwaden.
Maar daar gaat het hier niet om.
De last op zijn schouders van het zegenende Christuskind - met een smalle gouden nimbus om zijn hoofdje en een kruisstaf in zijn linkerhandje - doet hem krommen en hij moet zich in evenwicht houden met de boomstam die als reisstaf dient.
Zijn gebogen houding roept direct herinneringen op aan de iconografie van een kruisdragende Christus.
Een concentrische schikking van wolkenflarden is vlak onder de bijgesneden bovenrand te zien.
Mogelijk was hier ook de zon afgebeeld.

Bosch behandelt Christoffel op een heel nieuwe manier, want in de voorstelling schilderde hij veel voor hem kenmerkende groteske details die onconventioneel zijn in verband met de legende.
Ze moeten betekenis geven aan de scène en hebben vaak een positieve en negatieve pendant.

Een grote vis hangt aan de stok waarmee Christoffel zich staande houdt.
De vis is dood, maar de stok is levend wat te zien is aan het uitbottende groen.
Het bloed van de vis druipt langs het hout naar beneden.
De vis staat hier symbool voor Christus die door zijn bloed de wereld heeft verlost.
De letters van Griekse woord voor vis, ICHTHUS, vormden een vroegchristelijke code en geloofsbelijdenis:
IESOUS CHRISTOS THEOU (H)UIOS SOTÈR, Jezus Christus Gods Zoon Redder.
Links achter Christoffel is een angstaanjagende vliegende vis geschilderd en de mast van een gezonken schip.
Iets verderop hangt een jager in een boom een beer op die hij met een kruisboog precies in het hart heeft getroffen.
De beer staat symbool voor een aantal ondeugden als wellust, woede en luiheid.
Bijgevolg staat de jager voor de christelijke strijder die dagelijks de duivel en vleselijke genoegens bestrijdt (rond 1500 een bekend thema).
Aan de overkant van de rivier vlucht een naakte man voor een monsterlijke draak, symbool van de duivel, die uit een kasteelruïne komt.
Verder weg woedt in het door bossen omgeven kerkdorp een grote brand.

In de middeleeuwen heerst dreiging, kwaad en dood, maar Christoffel laat dat alles letterlijk achter zich.

Drie kluizenaars

Christoffel gaat op weg naar de kluizenaar uit de legende.
Die staat in de opening van een grote zogenaamde spreeuwenkruik die horizontaal in een bijna bladerloze boom hangt.
Spreeuwenkruiken werden op deze manier opgehangen om de vogels te verleiden zich erin te nestelen, waardoor hun eieren geraapt konden worden voor consumptie.
Een ladder leidt naar een gat in de kruik dat als ingang dient.
De lantaarn van de eremiet bungelt aan een tak.
Vlak boven de kruik zien we een geplukte en aan een spies geregen kip.
De positieve pendant hiervan is de haan die waakzaam staat aan de voet van de boom.
Daar weer boven strekt zich een strodak uit met een duiventil.
Deze elementen duiden mogelijk op weer een ander ondeugd, de vraatzucht, waardoor de kluizenaar is omgeven, maar waarin hij zelf niet is verstrikt.

In de buurt van de boom met de 'behuizing' van de kluizenaar zijn nog twee andere door Bosch bedachte eremieten afgebeeld.

Helemaal bovenaan zit een op zijn monnikskap na naakte kluizenaar in de top van een dunne, kale, onder zijn gewicht doorbuigende tak, waar hij met een bijenkorf in de weer is.
Heeft dit verband met de opgehangen beer, een dier bekend om zijn honingsnoeperij?

Een derde heremiet met een wit schort staat vlak voor Christoffel aan de oever van het water.
Hij lijkt in gedachten of meditatie verzonken te zijn en staart naar het water met geheven rechterarm en een kruik dragend in zijn linker.
Verder naar rechts drinkt een wit hondje uit het water en daarnaast staat een (steiger?)paal die met een dwarsverbinding een kruis vormt.
(Water)kruik en drinken kunnen verwijzen naar de geest van Christus als levend water (Johannes 7,37-39).

Barlaam en Josaphat

Barlaam en Josaphat (of Joasaph) zijn twee verhaspelde namen uit een Perzische bewerking van een Indische Boeddhalegende (Boddhisatva werd Josaphat).
Deze legende zou door Johannes van Damascus rond 700 - met oudere christelijke bewerkingen als basis - zijn herschreven.
Een koningszoon Josaphat werd door zijn vader Abenner uit voorzorg in het paleis verborgen gehouden: een voorspelling had namelijk zijn ongewenste verzaking aan de wereld aangekondigd.
Een wondersteen stelde de woestijnmonnik Barlaam echter in staat prins Josaphat te bereiken en deze, als die 's werelds ellende gezien heeft, over te halen tot een christelijk leven als monnik.
Hij vertelt hem een soort parabel over het bedriegelijke genot en ijdelheid van de mensen, legt die vervolgens ook uit en verheerlijkt daarmee het ascetisme.
Na Josaphats dood was heel het Indische koninkrijk tot het christendom bekeerd.
Hun feest wordt in het Roomse Martelaarsboek gememoreerd op 27 november.
In Oost en West werd de legende in de 11e en 12e eeuw en daarna vooral door de uitgebreide versie in hoofdstuk 180 van de Legenda Aurea populair.

Enkele elementen op Bosch' schilderij doen denken aan deze legende.
Zij die zo gehecht zijn aan de lichamelijke begeerte van deze wereld dat hun zielen sterven van de honger, zijn als die man die haastig vluchtte voor een eenhoorn, opdat hij niet door hem verslonden zou worden en in een diepe afgrond zou vallen. Maar toen hij viel, greep hij een struik met zijn handen en kwam met zijn voeten in slibberige en onvaste grond. Toen hij opkeek, zag hij twee muizen, een witte en een zwarte, die onafgebroken aan de wortel van de struik knaagden waaraan hij zich vasthield, en de struik brak al bijna af. Op de bodem van de grot keek hij echter naar een vreselijke draak die vuur spuugde, en zijn open keel was gereed om hem te verslinden. Maar uit de slibberige grond waarop hij met zijn voeten stond, strekten vier slangen hun koppen uit. Maar toen hij omhoogkeek, zag hij een druppel honing uit de takken van de struik druppelen. Toen vergat hij al het gevaar waar hij door omgeven was, en gaf zich volledig over aan de zoetheid van honing.

De eenhoorn betekent de dood, die de mens immer volgt om hem te grijpen. De afgrond betekent de wereld, die vol zit met alle kwaden. De struik is ons leven, dat onafgebroken wordt geconsumeerd alle uren van dag en nacht als door zwart-witte muizen en nadert de val. De grond met de vier slangen, dat is het lichaam, dat uit vier elementen bestaat, die in wanorde oplossen. De vreselijke draak is de keel van de hel, die ons allemaal dreigt te verslinden. Maar de zoete honing van het takje is het bedrieglijke genot van de wereld, waardoor de mens wordt misleid en zijn gevaar vergeet.
Jheronimus Bosch (circa 1450 - 1516)
Christoffel (1490-1500)
Olieverf op eiken, 114 x 72 cm (bovenaan ongeveer 6 cm afgesneden)
Rotterdam - Boijmans Van Beuningen