Paul Verheijen

ISAAK

Genesis 25,19 - 36,43

De tweede van de aartsvaders, moet het in de aan hem gewijde verhalen van het boek Genesis 21-29 en 35 afleggen tegen de sterkere persoonlijkheden van zijn beroemde vader Abraham en zijn gewiekste zoon Jakob.
Zijn (ingekorte) naam betekent ‘moge God toelachen’, werd echter verstaan als de lach van Abraham, zijn moeder Sara en de mensen om zijn on-verwachte en wonderlijke geboorte.
Zijn vader - eerder op de proef gesteld met het door JHWH gevergde offer van deze enige zoon op de berg Moria - regelde via een vertrouwde dienaar zijn huwelijk.
De dienaar (naar men aanneemt gaat het om Eliëzer) werd uitgezonden naar de stad van Nachor, waar verwanten van Abraham woonden, en ontmoette er een mooi meisje dat hem bij een waterput te drinken gaf.
Zie hiervoor het schilderij van Ferdinand Bol.
Het was Rebekka, die een familielid van Abraham bleek te zijn en onder gezag stond van haar broer Laban.
Laban gaf zijn zuster - na het overvloedig uitdelen van geschenken door de bruidswerver - graag mee voor de zoon van de grote Abraham.
In zijn huwelijksleven liet Isaak zich tergen door zijn bijvrouwen en, blind geworden, in de luren leggen door zijn gedecideerde vrouw Rebekka en haar favoriete zoon Jakob.
Het enige verhaal waarin Isaak zelfstandig optreedt is dat van zijn verblijf bij de Filistijnen en van zijn contacten met hun koning Abimelek.
Maar ook dat lijkt op belevenissen van zijn vader Abraham.
Zo gaf hij zich uit voor de broer van Rebekka ter bescherming van zijn eigen leven, dat gevaar zou kunnen lopen als men in hem als echtgenoot een obstakel zou kunnen zien.
Koning Abimelek achterhaalde de waarheid nadat hij het tweetal tot zijn consternatie had zien minnekozen.
Isaak verwekte bij Rebekka een tweeling, Esau en Jakob, die voor en bij hun geboorte reeds tekenen van hun latere rivaliteit om de eerste plaats in de erfopvolging vertoonden.
2016 Paul Verheijen / Nijmegen