Paul Verheijen

VAN GOGH

Piëta

Pijn

Eugène Delacroix (1798-1863)
Pietà (1850)
Olieverf op doek, 35 x 27 cm
Oslo - Nationaal Museum
Eugène Delacroix schilderde rond 1850 een kleine Pietà. Van dit en ander werk werden in de 19e eeuw reproducties gemaakt in de vorm van etsen en litho's (en dus gespiegeld), die onder meer werden gepubliceerd in kunsttijdschriften zoals L'Artiste. Toen Vincent van Gogh tijdens zijn verblijf in het psychiatrisch ziekenhuis in Saint-Rémy-de-Provence ziek op bed lag, gebruikte hij een dergelijke litho van Delacroix's Piëta als voorbeeld. In twee van zijn vele bewaard gebleven brieven schrijft hij hierover:
Zo had ik deze keer tijdens mijn ziekte een ongelukje gehad - die lithografie van Delacroix, de Piëta, was met andere bladen in olie en verf gevallen en bedorven. Ik was er verdrietig over - tussen de bedrijven door ben ik toen ermee bezig geweest om die te schilderen en je zult het op een goede dag zien; ik heb er op een doek van 5 of 6 een kopie van gemaakt die, geloof ik, goed aangevoeld is.
[...]
Ik heb soms met de vrouw van de surveillant gepraat en dan zei ze dat ze niet geloofde dat ik ziek was - enfin, dat zou jij op het ognblik ook zeggen, als je me zag werken, mijn geest helder en mijn vingers zo zeker dat ik zonder ook maar een enkele maat te nemen die Piëta van Delacroix getekend heb, waar je toch die vier vooruitstekende handen en armen hebt - gebaren en lichaamshoudingen die niet bepaald gemakkelijk of eenvoudig zijn.

(Brief Saint-Rémy-de-Provence, 7/8 september 1889, aan broer Theo)

Delacroix is een Piëta, d.w.z. een dode Christus met de Mater Dolorosa. Bij de ingang van een grot ligt gebogen, de handen naar voren op de linkerzij, het uitgeputte dode lichaam en de vrouw bevindt zich erachter. Het is een avond na het onweer en de wanhopige in blauw geklede figuur tekent zich - met haar kleed opwaaiend in de wind - af tegen een hemel waarin paarse, met goud omrande wolken drijven. Ook zij spreidt de handen naar voren met een groot gebaar van wanhoop, en men ziet haar handen, goede krachtige handen van een arbeidster. Met haar opwaaiend kleed is die figuur bijna even breed als hoog. En terwijl het gelaat van de dode in de schaduw is, steekt het bleke gezicht van de vrouw helder af tegen een wolk - een tegenstelling die maakt dat de twee hoofden zouden kunnen aandoen als een donkere en een lichte bloem, opzettelijk bijeengeplaatst om elkaar beter te doen uitkomen.
(Brief Saint-Rémy-de-Provence, 19 september 1889, aan zus Wil)
Vincent van Gogh maakte geen exacte kopieën, maar gaf er in zijn kenmerkende stijl een eigen kleur en variatie aan. Zijn Piëta's zijn intens en emotioneel geladen schilderijen waarin religieuze thematiek, persoonlijk lijden en expressieve schilderkunst samenvloeien. Ze dragen onmiskenbaar Van Goghs eigen stempel. Het zijn geen klassieke devotionele afbeeldingen, maar doorleefde, bijna lichamelijke meditaties over pijn, troost en menselijkheid.
Bij Van Gogh krijgt de Piëta-scène een opvallend menselijke en aardse invulling. Christus’ lichaam is zwaar, kwetsbaar en tastbaar. Zijn huid toont groengele en aardse tinten die eerder aan ziekte en uitputting doen denken dan aan verheven heiligheid. Maria daarentegen is gehuld in een intens blauw, een kleur die traditioneel met haar wordt geassocieerd, maar hier ook een gevoel van diepe melancholie en innerlijke kracht oproept.

De expressieve penseelstreek is typisch voor Van Goghs late stijl. De verf lijkt te golven en te bewegen, alsof het landschap en de figuren meeademen met het drama van de scène. De rotsachtige omgeving sluit de figuren in, waardoor de compositie claustrofobisch en intiem aanvoelt. Er is geen afstandelijke beschouwing mogelijk: de toeschouwer wordt letterlijk in het lijden getrokken. Licht speelt hierbij een cruciale rol. Het geelachtige licht rond Christus’ lichaam suggereert niet zozeer goddelijke glorie, maar eerder een broos restlicht — een laatste teken van leven of hoop te midden van de dood.

Hoewel Van Gogh zich in deze periode niet actief als gelovige profileerde, bleef religie voor hem een belangrijke bron van zingeving. In de Piëta lijkt hij zich te identificeren met Christus als lijdende mens. Merk Van Goghs rode baard op bij Christus. Veel kunsthistorici hebben erop gewezen dat Van Gogh in deze jaren zelf intense psychische pijn ervoer. Het schilderij kan daarom gelezen worden als een projectie van zijn eigen gevoel van verlatenheid en verlangen naar mededogen. Maria’s gebaar is niet triomfantelijk of plechtig, maar zorgend en bijna tastend, alsof zij Christus én de schilder zelf probeert vast te houden.

Beide schilderijen sluiten aan bij andere kopieën die Van Gogh in Saint-Rémy maakte. Zie bijvoorbeeld zijn Opwekking van Lazarus naar Rembrandt en zijn Barmhartige Samaritaan ook naar Eugène Delacroix. Hij gebruikte dergelijke werken bovendien als een manier om tijdens zijn verblijf in de inrichting artistiek actief te blijven.
Vincent van Gogh (1853-1890)
Piëta (1889)
Olieverf op doek, 73 x 61 cm (JH 1775 - linkerafbeelding)
Amsterdam - Van Gogh Museum
Olieverf op doek, 42 x 34 cm (JH 1776 - rechterafbeelding)
Rome - Vaticaanse Musea
2016 Paul Verheijen / Nijmegen