Paul Verheijen

EL GRECO

Mauritius en het Thebaanse legioen

6600 martelaren

Mauritius van Agaunum en het Thebaanse legioen (uit het Egyptische Thebe afkomstig) werden volgens de legende onder de keizers Diocletianus en Maximianus Herculius om hun christenzijn gedood, waarschijnlijk in de vervolging van 302 te Agaunum (of Augaunum / Acuanum; nu Saint-Maurice in het Rhône-dal, kanton Wallis).
Bisschop Theodorus van het nabijgelegen Octodurum (Martigny) ontdekte hun (massa)graf, waarboven hij een kerk liet bouwen en waarbij wonderen gebeurden.
Men sprak van maar liefst 6600 martelaren.
Berichten in handschriften uit de 9e eeuw en later vertellen meer details.
Medekeizer Maximianus zou ter bestrijding van de Bagauden (opstandige naar het oosten trekkende Gallische boeren) met het Thebaanse legioen over de Alpen zijn getrokken.
De soldaten zouden op hun tocht naar het westen door de apostel Jakobus de Mindere zijn gedoopt.
Tijdens een halte te Octodurum kregen zij de opdracht aan de goden te offeren.
Zij deserteerden en verborgen zich te Agaunum om het bevel te ontlopen.
Volgens een andere versie weigerden zij christenen te vervolgen.
Dat werd hun dood, die zij, aangespoord door hun officier Mauritius en vijf lagere bevelhebbers Exuperius, Candidus, Victor, Innocentius en Vitalis, resoluut ondergingen.

Afzonderlijke leden

Probleem is dat er uit de oudheid geen enkel in aanmerking komend 'Thebaans legioen' aan te wijzen is, waardoor onder andere de historiciteit van het verhaal van de martelaren onbetrouwbaar is.
Men verklaart het ontstaan van deze martelarenlegende en de snelle verbreiding van hun cultus uit de populaire interpretatie van de vondsten van grote militaire begraafplaatsen en van lokale soldatengraven langs de Romeinse wegen.
Vanuit het door de Bourgondische koning Sigismund in 515 te hunner ere gestichte klooster aan de druk begane weg door de pas in het Rhônedal te Saint-Maurice werd door vorsten, bisschoppen en monniken de verering van het Thebaanse legioen over heel Europa verspreid.
Deze leden worden vaak afgebeeld samen met Mauritius; soms - vooral de bekendsten - in groepen.
Mauritius, de aanvoerder, wiens lans tot de rijksinsignes hoorde, sprak tot de feodale verbeelding, bracht het tot patroon van het Duitse Rijk en werd dus zeer vaak afgebeeld: te voet en - vanwege zijn naam - als Moor.

Mauritius en zijn vijf bevelhebbers kregen hun liturgische herdenkdag op 22 september samen met het hele Thebaanse legioen.
Talloze afzonderlijke leden van het legioen worden op verschillende plaatsen lokaal vereerd met een eigen feestdag.

Afwijzing

Van koning Filips II kreeg El Greco de opdracht voor dit schilderij ten behoeve van de decoratie van het Escorial.
Het werk werd geplaatst op een van de zijaltaren gewijd aan het martelaarschap van Sint-Mauritius en het Thebaanse Legioen.
Zij werden gezien als patroonheiligen in de strijd tegen het kwaad en er bevonden zich relikwieën in de kerk.
De figuur van Mauritius - gekleed in een blauwachtig harnas en bebaard - verschijnt aan de rechterkant van het doek, op de voorgrond.
Hij wordt vergezeld door zijn kapiteins, op het moment van beslissen of hij het offer aan de heidense goden brengt.
Links van hem zien we Exuperius met het rode vaandel.
Een van de twee andere groot afgebeelde en wijzende mannen zou Jakobus de Mindere kunnen zijn.
Opvallend zijn de twee gezichten tussen Mauritius en Exuperius: ze zijn geïdentificeerd als hertog Manuel Filiberto van Savoye, commandant van de Spaanse troepen in San Quentin en grootmeester van de Militaire Orde van Sint-Mauritius en daarnaast Alexander Farnese, hertog van Parma, die op dat moment in Nederland vocht tegen de Nederlanders.
Alle figuren dragen een militair uniform uit de zestiende eeuw, dat daarom twee feiten verenigt: de strijd van de Spaanse generaals tegen het heidendom, zoals ook Mauritius had gedaan.

Op de achtergrond zien we het vervolg: de legionairs staan in de rij, gekleed of (half)naakt, wachtend op hun beurt om te worden geëxecuteerd.
We zien de beul op zijn rug, op een rots, met naast hem opnieuw Mauritius, die zijn mannen troost en bedankt voor hun beslissing.
Een reeds onthoofde man versterkt stevig het idee van het martelaarschap.

In contrast met deze scène wordt de bovenkant van het doek aangevuld met een glorieus tafereel bestaande uit engelen met muziekinstrumenten, martelaarspalmen en -kroontjes.

Het feit dat het martelaarschap op de achtergrond was geplaatst en de weigering te offeren op de voorgrond, leidde tot de afwijzing van Filips II.
Daarom liet hij El Greco's schilderij vervangen door een ander met hetzelfde thema van de Italiaanse schilder Romulo Cincinato.
Hij kreeg hierna ook geen opdrachten meer van Filips II.​

El Greco nam zijn toevlucht tot een maniëristische stijl.
Zo komen de figuren met hun rug, verkortingen of diagonalen naar voren, duidelijk geïnspireerd op Michelangelo, die een beeldhouwachtige anatomie onder de harnassen laat zien.
De figuren hebben kleine hoofden en korte benen in verhouding tot hun brede buste.
De kleuren zijn bijna traditioneel in El Greco: geel, blauw, groen of rood, geïnspireerd door de Venetiaanse School.
Mauritius draagt het rood van het martelaarschap en het blauw van de eeuwigheid.
El Greco (Domenikos Theotokopoulos) (1541-1614)
Martirio de San Mauricio (1580-82)
Olieverf op doek, 445 x 292 cm
El Escorial - Klooster San Lorenzo de El Escorial