Paul Verheijen

MEESTER VAN SAINT GILLES

Aegidius

Verloren gegaan polyptiek

Deze twee panelen tonen afleveringen uit het leven van Aegidius, een zevende-eeuwse kluizenaar die enorm populair was in het middeleeuwse Frankrijk.
Hij is ook bekend onder de namen Egidius, Gilles of Giles.
Ze maakten ooit deel uit van de panelen van een groot polyptiek.
Twee andere panelen bevinden zich in de National Gallery of Art in Washington.
Wanneer het altaarstuk open was, toonde het scènes uit het leven van verschillende heiligen, velen met Franse koninklijke connecties, die zich afspeelden in Parijse kerken.
Op de achterkant waren heiligen geschilderd in grisaille om eruit te zien als beelden.

Het is onbekend hoe de panelen oorspronkelijk waren gerangschikt of waar het altaarstuk oorspronkelijk was gevestigd, of zelfs wie de kunstenaar was.
Daarom werd de noodnaam 'Meester van Saint-Gilles' bedacht.
Hij werkte waarschijnlijk in Parijs rond 1500.
Deze datering is gebaseerd op de kleren die de leken dragen die in de eerste jaren van de zestiende eeuw in de mode waren.

Leven van Aegidius volgens de Legenda Aurea


Aegidius was geboren in de stad Athene uit een koninklijk geslacht en werd van kindsaf aan onderwezen in de heilige Schrift.
Eens ging hij naar de kerk toen hij aan een zieke die langs de kant van de weg om een aalmoes vroeg, zijn kleed.
Zodra de zieke dit kleed aantrok werd hij gezond.
Een andere keer toen hij uit de kerk naar huis terugkeerde kwam hem een man tegemoet die door een slang
Bij de dood van zijn ouders stond Aegidius de gehele erfenis af aan Christus.
Op een andere dag verdreef hij door zijn gebed het gif uit een man die door een slang gebeten was.
Hij genas ook een bezetene die met zijn geschreeuw in de kerk de aandacht van de andere kerkgangers afleidde.
Maar nu werd Aegidius bang, dat hij te populair zou worden onder de mensen.
Hij vluchtte in het geheim naar de kust en zag daar juist hoe schepelingen dreigden om te komen in een geweldige storm.
Op zijn gebed ging de wind meteen liggen.
Toen die zeelui hoorden, dat hij graag naar Rome wou, namen ze hem uit dankbaarheid gratis mee.
Het schip kwam echter in Arles terecht.
Daar verbleef hij twee jaar bij de heilige Cesarius, bisschop van die stad.
Ook genas hij daar een vrouw die al drie jaar ten prooi was aan koortsaanvallen.
Toch wou hij het liefst de eenzaamheid in en verliet in stilte het stadje en leefde enige tijd met de eremiet Veredemius op een plek waar God ten gunste van hem de onvruchtbaarheid deed ophouden.
Maar nog steeds drong het gerucht van zijn wonderen tot bij de mensen door.
Hij verliet zijn metgezel en trok zich nog verder in de eenzaamheid terug.
Tenslotte vond hij een grot dichtbij een bron.
Bovendien kwam daar geregeld een hinde die hem melk gaf om van te leven.
Op een dag kregen dienaren van de koning deze hinde tijdens de jacht in de gaten, en zetten het met hun honden achterna.*
Doodsbang zocht het zijn toevlucht bij Aegidius.
Deze kwam naar buiten op het rare schreeuwgeluid van het beest en hoorde hoe de jagers er aankwamen.
Hij vroeg aan God om het dier te redden dat hem zo trouw van voedsel voorzag, waarop geen van de honden het dier durfden te benaderen.
Ze keerden onverrichterzake bij de koning terug, en omdat de nacht begon te vallen, moesten de jagers hun jacht opgeven.
De volgende dag ging het net zo: voor ze het dier te pakken hadden, viel de duisternis in.
Toen de koning ervan hoorde, nodigde hij de bisschop en alle hoogwaardigheidsbekleders uit om deel te nemen aan de jacht op dit aantrekkelijke dier dat steeds aan zijn achtervolgers wist te ontsnappen.
Ook nu durfden de honden het dier niet te benaderen.
Wel had een van de aanwezigen met zijn pijl nietsvermoedend Aegidius verwond.
Toen de jagers zich eenmaal een weg hadden gebaand door het dichte struikgewas, ontdekten ze een grijsaard in monnikspij met een hinde, die zich aan zijn voeten had neergelegd.
De koning en de bisschop stegen af en traden te voet naderbij met de vraag wie hij was, waar hij vandaan kwam, hoe hij terecht was gekomen op zo'n onherbergzame plek, en wie hem die wond had toegebracht.
Ze vernamen dat zij daar zelf schuld aan waren en reikten hem een grote hoeveelheid geneesmiddelen aan, met daarbij een schat aan geschenken.
Maar Aegidius gunde die zelfs nog geen blik waardig, sterker nog, in het besef, dat Gods kracht des te meer in zwakheid aan het licht komt, bad hij God dat deze hem niet zou genezen van zijn verwonding.

Koning Carolus ** vernam van zijn heiligheid en ontbood Aegidius en vertelde hem dat hij een zeer grote zonde had begaan die hij nog nooit had gebiecht en nu ook niet aan Aegidius.
De zondag daarop toen Aegidius de mis las en voor de koning bad, verscheen hem een engel des Heren die een briefje op het altaar legde waarop de zonde van de koning was geschreven met de mededeling dat deze hem was vergeven vanwege het gebed van Aegidius.
Het briefje werd naar de koning gebracht die de zonde erkende en deemoedig om vergeving bad.
Aegidius steeg in achting bij de koning en toen hij in Nîmes kwam wekte hij de gestorven zoon van de koning tot leven.

Hierna reisde Aegidius naar Rome en ontving van de paus twee deuren van cypressenhout voor zijn kerk waarin beeltenissen van de apostelen waren gesneden.
Hij wierp die in de Tiber, beval ze onder Gods hoede en aanvaarde de thuisreis, terwijl hij langs de Tiber onderwijl een lamme weer liet lopen.
Toen hij weer in zijn klooster was teruggekeerd vond hij beide deuren in de haven liggen, dankte God voor het behoud en plaatste ze in zijn kerk als band met de paus van Rome.

Daarna verkondigde de Heer hem dat zijn heengaan nabij was.
Dus ontsliep hij zalig in de Heer en velen verklaarden dat ze engelenkoren hadden gehoord die zijn ziel naar de hemel droegen.
Hij leefde rond 700 A.D.
* Deze legende gaat mogelijk terug op de Griekse mythe van Herakles en de Arcadische hinde
** Vermoedelijk doelt Jacobus de Voragine met Rex Carolus op Karel Martel

De twee panelen

Op het linkerpaneel zien we koning Karel en de bisschop eerbiedig voor Aegidius knielen die het opgejaagde dier op zijn schoot houdt.
De pijl die Aegidius verwondde steekt in zijn hand.
De schilder beeldt hier een ree af, maar volgens de Legenda Aurea was het een hinde (cervus) die Aegidius met haar melk voedde.
Achter koning en bisschop staat de boogschutter die de pijl heeft geschoten.
De stad in de verte is vermoedelijk Saint-Gilles-du-Gard.
De hut tussen de rotsen is de 'kluis' waar Aegidius zich als kluizenaar had teruggetrokken on in eenzaamheid te bidden.

De legende van het zondebriefje zien we op het rechterpaneel.
Aegidius draagt de mis en een engel toont het briefje met daarop de grote zonde van koning Karel die hij nog nooit gebiecht heeft.
Links is de koning zelf biddend aanwezig in de mis.

Abdij

Aegidius wordt gerekend tot de zogenaamde veertien noodhelpers en daarmee ook tot de pestheiligen.
Het Roomse Martelaarsboek vermeldt op zijn feestdag 1 september:
In Zuid-Frankrijk de heilige abt Aegidius, belijder. Naar hem is de stad genaamd, die later verrees op de plaats, waar hij een klooster gesticht en zijn stervelijk leven beëindigd had.
Dit klooster is de abdij van Sint-Gillis die is opgenomen in de UNESCO-erfgoedlijst, als onderdeel van Werelderfgoedlocaties op de routes naar Santiago de Compostela.
De abdij was aanvankelijk gewijd aan Petrus en Paulus, maar in de 9de eeuw werd de toewijding veranderd in Aegidius zelf, die één van de meest vereerde figuren in het gebied was geworden.
Zijn relikwieën waren ondergebracht in de abdijkerk en trokken talrijke pelgrims aan.
In de 11e eeuw was het klooster verbonden met dat van Cluny en werd het dankzij de welvaart vergroot en versierd van de 12e tot de 15e eeuw.
Meester van Saint Gilles (±1500)
Scènes uit het leven van Aegidius (±1500)
Olieverf op eiken panelen, 61 x 45 cm elk
Londen - National Gallery