Paul Verheijen

CRANACH

Veertien heilige noodhelpers

Compagnie des heils

De verering van veertien heiligen die bij nood werden aangeroepen is in de 14e eeuw begonnen in Bamberg en Regensburg toen de pest daar huis hield.
De groep - door Johan Huizinga 'compagnie des heils' genoemd - behoort tot de grotere groep van Geneesheiligen.
Er bestaat een internationale lijst van deze veertien heiligen, maar ook verschillende lokale lijsten.
De betreffende heiligen omvatten een breed scala aan kwalen die ze kunnen genezen.
Als groep staan ze sterk: helpt er een niet, dan mogelijk wel een ander.

Hieronder de internationale lijst in de volgorde waarin ze worden aangeroepen in het 'gebed der veertien noodheiligen'.*
Sint Jorisdrakenkop over zijn arm
Blasius van Sebastebrandende kaars
Erasmus van Formiadraailier
Pantaleon van Nicomediëhanden op hoofd gespijkerd
Vitus van Lucaniakrullend haar
ChristoffelChristuskind op schouder
Aegidius van Nîmeshinde tegen zich op
Achatius van Araratridderhelm, snor en wit banier
Dionysius van Parijshoudt zijn mijter vast
Cyriacus van Romediakendalmatiek, boek en geketende draak
Eustachius van Romehert met kruis in gewei
Catharina van Alexandriëgeen attribuut te zien, staande bij Barbara en Margaretha, samen de drie heilige maagden
Margaretha van Antiochiëdraak op haar rechterschouder
Barbara van Nicomediëtoren achter haar hoofd

* Het Cranach Digital Archive noemt in deze opsomming Margaretha niet; wel Mauritius van Agaunum.

Basiliek Vierzehnheiligen

De basiliek Vierzehnheiligen bij de Duitse plaats Bad Staffelstein is een bedevaartskerk in het Beierse Oberfranken en het reisdoel van zo'n half miljoen pelgrims per jaar.
In de jaren 1445-1446 krijgt een schaapsherder tot driemaal toe een visioen van het Kindeke Jezus en de veertien noodhelpers en op dit wonder volgt nog een ander wonder: een ernstig zieke maagd wordt naar de plek van de verschijningen gebracht, waarna zij op wonderbaarlijke wijze geneest.
Op aandrang liet de cisterciënzer abdij Langheim op de plek van de verschijning een kapel bouwen ter ere van de veertien noodhelpers voor de onmiddellijk ingezette stroom bedevaartgangers.
Nadat de kapel werd verwoest gedurende de boerenopstanden in 1525 en de Dertigjarige Oorlog werd besloten tot de bouw van een grote kerk.
Hieronder voor de liefhebber de legende van de verschijning.

Legende uit 1445


Op de vrijdag na het feest van de Kruisverheffing van het jaar 1445 dreef Hermann, de zoon van schaapherder Leicht in Frankenthal de kloosterschapen naar huis.
In de buurt van de stal gekomen hoorde hij een kind vreselijk huilen.
Toen hij omkeek, zag hij een klein kind in het veld op de grond zitten.
Hij ging er naartoe; onmiddellijk begon het naar hem te lachen.
Hij wilde het kind optillen, maar het verdween.
Hij ging terug naar zijn schapen en keek nog één keer om.
Daar zat het kind weer, op dezelfde plek, maar nu tussen twee brandende kaarsen in.
Hermann werd bang, riep zijn hond bij zich en maakte een kruisteken.
Opnieuw ging hij naar het kindje toe; het begin weer naar hem te lachen.
Het was zo licht en doorzichtig dat het wel van kristal leek.
Toen hij heel dichtbij gekomen was, verdween het weer.
Thuis sprak hij erover met zijn vader en moeder die hem aanraadden er met niemand over te praten.
Het was vast gezichtsbedrog geweest, zeiden ze.
Maar de volgende dag vertelde hij zijn verhaal aan een priester.
Die zei hem: 'Als het zich nog eens laat zien, moet je een bezwering uitspreken in de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest.'
Maar het kind liet zich niet meer zien, tot op de vooravond van het feest van Petrus en Paulus van 1446.
Hermann hoedde rond vespertijd de schapen, toen hij het kind op dezelfde plek zag zitten als de vorige keer.
Het was schitterend als de zon; er stonden nog veertien andere kinderen omheen.
Ze droegen allemaal een rood-wit gewaad en het eerste kind droeg bovendien een rood kruis op zijn hart.
Nu vroeg hij het kind wie hij was en wat het van hem wilde.
Daarop antwoordde het kind: 'Wij zijn de Veertien Noodhelpers en willen graag een kapel waar wij in vrede kunnen verblijven. Als jij ons van dienst bent, dan zullen wij jou van dienst zijn.'
Na deze woorden steeg het kind met de anderen op naar de hemel en verdween.
De zaterdag daarop zag Hermann twee brandende kaarsen staan op de plek waar het kind gezeten had.
Op dat moment zag hij een vrouw voorbijkomen.
Hij riep naar haar om te komen kijken, maar op hetzelfde ogenblik verdwenen de kaarsen.
Toen de herdersjongen met dit verhaal in Langheim kwam, wilde niemand hem geloven.
Ze dachten dat hij het zich verbeeld moest hebben.
Achttien dagen na deze gebeurtenissen was een dienstmeisje bezig op de binnenplaats van het klooster, toen ze plotseling een toeval kreeg.
Zo bleef ze wel meer dan een uur liggen, zonder een vin te verroeren.
Men probeerde haar mond open te maken; ondertussen beval men haar aan bij allerlei heiligen.
Maar het hielp allemaal niets.
Tenslotte stelde men voor haar naar Frankenthal te brengen, op de plek waar de Veertien Noodhelpers aan de herdersjongen waren verschenen.
Daar kreeg het meisje onmiddellijk haar gezondheid terug.
Ter herinnering richtte men een kruisbeeld op, precies op de plek waar het kind gezeten had.
Lucas Cranach der Ältere (1472-1553)
Vierzehn Nothelfer (1505-09)
Olieverf op paneel, 84 x 118 cm
Torgau - Marienkirche