Paul Verheijen

WENCESLAUS

Kain en Abel opnieuw

Martelaar

Dit krijgshaftige ruiterstandbeeld is feitelijk niet bijzonder representatief voor de heilige die hier te paard zit.
Wenceslaus heet hij bij ons, de Tsjechen noemen hem Vaclav en de Duitsers Wenzel.
Hij werd geboren in 907 of 908 als oudste zoon van hertog Wratislas van Bohemen en zijn vrouw Dragomira.
Toen zijn vader sneuvelde nam zijn oma Ludmila de opvoeding ter hand omdat zij geen vertrouwen had in de heidense gewoontes van haar schoondochter.
Dit was natuurlijk zeer tegen de zin van Dragomira en ook van Wenceslaus' jongere broer Boleslaus.
Allereerst had dat in 921 tot gevolg dat Dragomira haar schoondochter Ludmila door wurging om het leven liet brengen.
Acht jaar later werd Wenceslaus weggelokt uit zijn kasteel in Praag voor een banket ter gelegenheid van de geboorte van het zoontje van zijn broer Boleslaus.
De ochtend erop op 28 september stond Wenceslaus naar gewoonte vroeg op om ter kerke te gaan.
Halverwege lagen Boleslaus en zijn trawanten in hinderlaag.
Toen hij zijn broer te voorschijn zag komen, liep Wenceslaus op hem toe, omhelsde hem en sprak een heil- en zegenwens uit.
Dat mocht niet baten: Boleslaus doorstak zijn broer met zijn lans.
Het Genesis-verhaal van Kaïn en Abel is blijkbaar niet uniek.
En zo werd Wenceslaus de tweede Boheemse martelaar na zijn oma Ludmila.

Vroom vorstenverhaal

Over de activiteiten van Wenceslaus als hertog - de titel 'koning' kreeg hij postuum - zijn we niet goed ingelicht.
Zijn levensbeschrijvingen zijn vooral hagiografieën.
Een van de hagiografen, de monnik Christiaan, schreef bijvoorbeeld dat Wenceslaus tijdens de vasten en zelfs in de winter blootsvoets over ongebaande en met ijs bedekte wegen liep, van de ene burcht naar de andere, om de kerken van Christus te bezoeken, zodat men de afdrukken van zijn voeten in bloed zag.
In de oogsttijd kon men hem met een trouwe dienaar in het veld aantreffen, waar hij eigenhandig graan maaide, dorste, maalde, het meel tot deeg kneedde met zelf geput water en daarvan hosties bakte.
Op dezelfde wijze produceerde hij geheel zonder hulp de miswijn.

Good King Wenceslas

Een van deze vrome verhalen over Wenceslaus nam de Anglicaanse priester-schrijver John Mason Neale (1818-1868) op in zijn voor kinderen geschreven bundel Deeds of Faith (1849).
Neale schreef vier jaar later ook een Christmas Carol die niet zozeer refereert aan Christus' geboorte, maar meer aan Tweede Kerstdag, gewijd aan de martelaar Stefanus.
Op die feestdag ziet Wenceslaus een man hout sprokkelen en hij wil hem een aalmoes geven.
Zijn schildknaap wil opgeven en heeft het moeilijk met de kou, maar volgt Wenceslaus iedere stap door zeer letterlijk in zijn voetsporen in de sneeuw te treden.
Deze sporen verwarmen de voeten van de schildknaap.
Voor de melodie werd het 13e-eeuwse Tempus adest floridum gebruikt.

Good King Wenceslas looked out on the Feast of Stephen,
When the snow lay round about, deep and crisp and even.
Brightly shone the moon that night, though the frost was cruel,
When a poor man came in sight, gathering winter fuel.
Goede koning Wenceslas keek naar buiten op het feest van Stefanus,
Toen er overal sneeuw lag, diep en bros en effen.
Helder scheen de maan die nacht, hoewel de vorst streng was,
Toen een arme man in zicht kwam, om winter brandstof te verzamelen
“Hither, page, and stand by me, if thou know'st it, telling,
Yonder peasant, who is he? Where and what his dwelling?”
“Sire, he lives a good league hence, underneath the mountain,
Right against the forest fence, by Saint Agnes’ fountain.”
"Hierheen, page, en blijf bij mij, als je het weet, vertellend,
Ginder boer, wie is hij? Waar en wat zijn verblijf?"
"Sire, hij leeft een goede mijl hier vandaar, aan de voet van de berg,
Precies tegen de bosomheining, bij de bron van Sint Agnes."
“Bring me flesh and bring me wine, bring me pine logs hither,
Thou and I will see him dine, when we bear them thither.”
Page and monarch, forth they went, forth they went together,
Through the rude wind’s wild lament and the bitter weather.
"Breng me vlees en breng me wijn, breng me dennenblokken hierheen,
Gij en ik zullen hem zien dineren, wanneer wij hen derwaarts dragen."
Page en monarch, voorts gingen ze, naar voren gingen ze samen,
Door de wilde klaagzang van de ruwe wind en het bittere weer.
“Sire, the night is darker now, and the wind blows stronger,
Fails my heart, I know not how; I can go no longer.”
“Mark my footsteps, good my page, tread thou in them boldly,
Thou shalt find the winter’s rage freeze thy blood less coldly.”
"Sire, de nacht is nu donkerder, en de wind waait sterker,
Faalt mijn hart, ik weet niet hoe; Ik kan niet meer."
"Let goed op mijn voetstappen, mijn page, stap daarin moedig,
Gij zult merken dat het razen van de winter uw bloed minder koud bevriest."
In his master’s steps he trod, where the snow lay dinted;
Heat was in the very sod which the saint had printed.
Therefore, Christian men, be sure, wealth or rank possessing,
Ye who now will bless the poor shall yourselves find blessing.
In de stappen van zijn meester trad hij, waar de sneeuw vertrapt lag;
Warmte was in de zode die de heilige had afgedrukt.
Daarom, christen mensen, wees er zeker van, rijkdom of rang bezittend,
Gij die nu de armen zal zegenen, zal jezelf gezegend vinden.

Boheemse heiligen

De beelden aan de voet van het ruiterstandbeeld stellen vier heiligen voor uit Bohemen (vlnr):
  • Ludmila (±860-921)
    Grootmoeder van Wenceslaus (zie boven).
  • Agnes (±1208-1282)
    Dochter van koning Otakar I en claris.
  • Procopius (±990-1053)
    Stichter-abt van het benedictijnerklooster Sázava.
  • Adalbertus (±956-997)
    Bisschop van Praag als martelaar gestorven.
Josef Vaclav Myslbek (1848-1922)
Wenceslaus (1906)
Bronzen ruiterstandbeeld en beeldengroep
Praag - Wenceslasplein