Paul Verheijen

PERPETUA & FELICITAS VAN CARTHAGO

Twee jonge martelaarmoeders

Passio Perpetuae et Felicitatis

Perpetua en Felicitas waren twee vrouwen uit een groep van zes christenen die op 7 maart 203 onder de vervolging van keizer Septimius Severus als martelaren stierven.
Vibia Perpetua, gehuwd en pas moeder geworden van een zoontje, was 22 jaar, van voorname stand, ontwikkeld en nog catechumeen (nog niet gedoopte christen).
Onder de vele vroegchristelijke martelaarsakten die ons zijn overgeleverd, geniet de Passio Perpetuae et Felicitatis grote faam.
Deze martelaarsakte geeft een goed beeld van de leefwijze en gedachtenwereld van de eerste christenen.
Het manuscript van de passie bevat 21 hoofdstukken en werd ontdekt in de zestiende eeuw.
Een groot deel wordt gevormd door het relaas van de hand van Perpetua zelf (hoofdstukken 3-10).
Perpetua beschrijft hoe haar vader haar smeekte het geloof af te zweren om zo haar leven te redden.
Zeker nadat haar vader tevergeefs had gepoogd haar de ogen uit te rukken, liet Perpetua zich niet ompraten (hoofdstuk 3).
Tijdens haar gevangenschap kreeg Perpetua vier visioenen (hoofdstukken 4, 7, 8 en 10).
Het eerste visioen is hieronder in Perpetua's eigen woorden te lezen.
Na een verhoor (hoofdstuk 5) werd Perpetua ad bestias veroordeeld, d.w.z: dat ze voor de wilde beesten zou worden geworpen (hoofdstuk 6).
Het optreden van Perpetua en haar medegevangenen dwong respect af bij de gevangenisdirecteur die toestond dat zij veel bezoek mochten ontvangen (hoofdstuk 9).

Haar geloofsleraar Saturus voegde zich vrijwillig bij haar in de gevangenis.
Ook hij heeft een visioen dat in de Passio is opgenomen (hoofdstukken 11-13).

De hoofdstukken 1, 2 en 14-21 met de beschrijving van het martelaarschap van Felicitas en met gruwelijke details van de executie zijn van een latere redactor.

Deze schrijft dat conserva, 'medeslavin' Felicitas in de gevangenis het leven schenkt aan een meisje, dat geadopteerd wordt door een zuster en verder dat Perpetua door een wilde koe op de horens werd genomen die haar in de lucht wierp, maar in haar extase bemerkte zij daarvan niets.
Mogelijke dat de Griekse mythe van Dirkè en Antiopè een rol heeft gespeeld bij de beschrijving van deze foltering.*
Uiteindelijk raakte een onvaste hand van een leerling-gladiator niet Perpetua's hals, maar haar botten en hielp zij de beul haar keel te doorboren.
* Dirkè is daar de vrouw van koningszoon Lykos die haar beeldschone slavin Antiopè mishandelt en daarom - aan een woedende stier vastgebonden - ter dood wordt gebracht.

Laddervisioen

Toen zei mijn broer tegen me: 'Geachte zuster, u staat al in groot aanzien, zo groot dat u om een visioen mag vragen om u te laten zien of lijden of vrijlating te verwachten is.' En ik, die wist dat ik gesprekken had met de Heer wiens zo grote zegeningen ik had ervaren, beloofde het hem vol vertrouwen in deze woorden: 'Morgen zal ik je rapport uitbrengen.' Ik vroeg om een visioen, en ik kreeg het volgende te zien. Ik zag een verbazend grote bronzen ladder, die tot aan de hemel reikte, zo smal dat men er slechts één voor één langs naar boven kon klimmen. Aan de zijkanten van de ladder waren allerlei ijzeren voorwerpen vastgemaakt. Daar waren zwaarden, lansen, haken, dolken en spiesen met het gevolg dat als iemand nonchalant en zonder zijn blik naar boven te richten de ladder besteeg, hij diepe wonden zou oplopen en repen van zijn vlees zouden blijven zitten aan de ijzeren voorwerpen. Onder de ladder lag een verbazend grote draak die degenen die naar boven wilden klimmen belaagde en probeerde van de beklimming af te schrikken. Bij de beklimming werd ik voorafgegaan door Saturus, die zich later eigener beweging om onzentwil had overgegeven, omdat hij zelf ons geloof had opgebouwd, en op het moment van onze aanhouding niet tegenwoordig was geweest. Hij bereikte de top van de ladder, keerde zich om en zei tegen me: 'Perpetua, ik wacht op je; maar pas op dat die draak je niet bijt.' Ik zei hem: 'Hij zal me geen schade berokkenen, in de naam van Jezus Christus.' En vanonder de ladder stak hij langzaam, als was hij bang voor me, zijn kop naar buiten; en alsof ik op de eerste trede trapte, trapte ik op zijn kop en klom ik naar boven. Ik zag een onmetelijk groot park en er middenin een man met grijs haar, in de kledij van een herder, met rijzige gestalte, die schapen aan het melken was; om hem heen stonden vele duizende mensen in witte gewaden. Hij richtte zijn hoofd op, keek naar mij en zei tot me: 'Het is goed dat je gekomen bent, mijn teknon*.' Hij riep me en gaf me als het ware een mondvol van de kaas die hij aan het melken was; ik nam de kaas in de samengebrachte palmen van mijn handen aan en at hem op; en alle omstanders zeiden: 'Amen.' Bij het geluid van dat woord werd ik wakker, terwijl ik nog op iets zoets kauwde. Meteen vertelde ik het aan mijn broer, en we begrepen dat lijden ons te wachten stond en we hadden geen hoop meer in deze wereld.
(Hoofdstuk 4)

* 'Kind', een opvallend gebruik van een Grieks woord in de oorspronkelijke Latijnse tekst.

Carthago

Relieken van Perpetua en Felicitas worden bewaard te Beaulieu-sur-Dordogne (Correze), Berry-Bouy en Vierzon (beide bij Bourges).
Ze zijn patrones van jonge moeders en behoren tot de selecte groep van ongeveer 40 canonheiligen, heiligen die worden genoemd in de canon van de eucharistieviering.
Soms is een stier het attribuut van Perpetua.
Haar feestdag is in het Westen op 7 maart en in het Oosten 2 februari en 4 maart.
De bewondering voor de martelaressen blijkt uit het feit dat hun graf, dat men in 1906 met een inscriptie terugvond, in de voornaamste basiliek van Carthago stond.
Hoewel in de Passio geen concrete stad wordt genoemd, werd Carthago daarom verbonden aan Perpetua.
Ze wordt genoemd in de oudste martyriologia en te zien op oude afbeeldingen.
Een Perpetua-cyclus van acht scènes is te zien op een anonieme Catalaanse frontal, altaarvoorkant, uit de 14e eeuw (zie afbeelding).
Rechtsboven zien we de bronzen ladder met de draak en Saturus die de ladder beklimt en omkijkt naar Perpetua.
Het beeld van deze twee martelaarsmoeders wordt vaak gebruikt als symbool van de hopeloosheid van geweld en oorlog.