Paul Verheijen

REMBRANDT

Treurnis om brandende stad


Leiden

In zijn vroege tijd signeerde Rembrandt vaak met zijn initialen in monogram, zo ook op dit paneeltje: RHL 1630, Rembrandt Harmansz Leidensis.
Hij was dus 24 jaar toen hij dit werkstuk schilderde, een van zijn gaafste uit zijn late Leidse jaren.
Hij maakte in die tijd veelvuldig gebruik van impasto, een techniek waarbij met een schildersmes of met het botte eind van het penseel gekerfd en gekrast wordt in de verf.
De vrij kleine eenzame grijsaard maakt een monumentale indruk en is neergezet in dekkende verf.
Nog vetter is het fijnbewerkte gouden vaatwerk geschilderd dat flonkert in het zonlicht.
Langs de linker contour van het lichaam hangt een dunne grijze nevel die overvloeit in de luchtig en transparant gepenseelde ruïneachtige entourage van de brandende stad.
De houding van de hand die het hoofd ondersteunt, is in de beeldende kunst een traditionele pose die op melancholie duidt.
Zijn elleboog rust op een boek waar Bibel op staat.
Op een steen naast hem liggen een gouden schaal en kan en boeken.
De man is vervuld van zwaarmoedige gedachten.
De brandende stad is kennelijk de oorzaak van zijn verslagenheid.
Mogelijk heeft Rembrandt zijn vader Harman, die in datzelfde jaar stierf, model laten zitten voor de oude man.

Bijbelse scène?

Omdat men vermoedde dat het woord Bibel in latere tijd op het boek is geschilderd, is de voorstelling in de loop der tijd ook niet-bijbels opgevat:
- Anchises en het brandende Troje
- Een anonieme filosoof in een grot
En als bijbelse voorstelling kwam in aanmerking:
- Lot en de brandende stad Sodom
- Jeremia en de brandende stad Jeruzalem
Deze laatste interpretatie is nu algemeen aanvaard.

De vraag blijft in hoeverre dit werk is beïnvloed door De Oude Geschiedenis van de Joden van Flavius Josephus, waarvan Rembrandt een Duitse vertaling in zijn bezit had, of het drama Ierusalems verwoestingh, door Nabuchodonosor van Guilliam van Nieuwelandt uit circa 1628/29, danwel afbeeldingen die Rembrandt mogelijk bekend waren, zoals de titelprent van het boek Klaagliederen in Den Bibel, gedrukt in 1532 door Willem Vorsterman (zie afbeelding).

Eric Jan Sluijter
Rembrandts Jeremia treurend om de verwoesting van Jeruzalem en een tragedie van Guilliam van Nieuwlandt

Jeremiëren

Jeremia is de naam van een profeet over wie in het gelijknamige bijbelboek te lezen is, en aan wie ook het bijbelboek Klaagliederen wordt toegeschreven.
De profeet beklaagde zich over de misstanden in zijn tijd, het goddeloze gedrag van zijn landgenoten en zijn eigen lot.
Vele teksten maken duidelijk waarom we aan hem het werkwoord jeremiëren voor 'klagen' danken.
De Klaagliederen betreuren de vernietiging van Jeruzalem.
In Jeremia 32 en 33 waarschuwde Jeremia koning Sedekia van Juda dat de hoofdstad Jeruzalem verwoest zou worden als hij zich los zou maken van het Babylonische Rijk, waarvan het land toen een vazalstaat was.
Sedekia sloeg Jeremia's profetie in de wind en ging een verbond aan met Egypte, waarna de Babylonische koning Nebukadnessar II in 587 voor Christus Jeruzalem innam en in vlammen deed opgaan.

Sedekia

Aan de linkerkant zien we de soldaten van Nebukadnessar de brandende stad bestormen.
Bij de trappen is, klein geschilderd, een man te zien die met zijn handen naar zijn ogen grijpt: het is de verblinde Sedekia.
Boven de stad zweeft een engel met een fakkel in de hand.
De val van Jeruzalem is volgens het bijbelverhaal zoals gezegd veroorzaakt door deze koning Sedekia.
Als straf voor zijn daden moest hij eerst nog toezien hoe zijn jonge zonen werden gedood.
Daarna werden hem de ogen uitgestoken en werd hij geketend afgevoerd naar Babylon, waar hij als blinde balling overleed.
Rembrandt bracht dus een wijziging aan, want Sedekia bevond zich volgens het verhaal niet in Jeruzalem toen hem de ogen werden uitgestoken.
Rembrandt Harmanszoon van Rijn (1606-1669)
Jeremia treurend over de verwoesting van Jeruzalem (1630)
Olieverf op paneel, 58 x 46 cm
Amsterdam - Rijksmuseum