Paul Verheijen

REMBRANDT

Berouw

Dertig zilverlingen

Dertig zilverlingen boden de hogepriesters.
Als zilverling de vertaling is van de Joodse zilveren sikkel - in die tijd waren vooral denariën in omloop, waarbij één sikkel de waarde had van vier denariën - dan verwijzen de zilvermunten naar de tempelschat.
De joodse overheid wil het geld daaruit halen.
Hoe moeten wij dit bedrag op zijn waarde schatten?
Het Eerste Testament biedt een sleutel voor de waardebepaling.
In het boek Genesis wordt Jozef door zijn broers verkocht voor slechts twintig zilverlingen.
In het boek Exodus staat dat dertig zilverlingen de boete is voor het per ongeluk verwonden of doden van een slaaf.
De profeet Zacharia beschrijft een voorval waarbij de diensten van een goede herder niet hoger worden gewaardeerd dan de diensten van een slaaf, namelijk dertig zilverlingen.
Matteüs maakt hiermee duidelijk dat het bedrag van dertig zilverlingen in de ogen van de hogepriesters voor Jezus genoeg is; het is de waarde namelijk die een slaaf ten deel viel.
Het bedrag drukt minachting uit; die kan evengoed op Jezus als op Judas slaan.
Nadat Judas het geld aangeboden heeft gekregen, zoekt hij een goed moment, een geschikt tijdstip, om Jezus over te leveren.
(Matteüs 26,14-16)

Zelfdoding

Als Judas ziet dat Jezus ter dood veroordeeld wordt, voelt hij wroeging.
Hieruit blijkt dat hij bij lange na niet had voorzien dat Jezus’ doodstraf het gevolg zou kunnen zijn van zijn overleveringsactiviteit.
Hij betreurt wat hij gedaan heeft en wil de dertig zilverlingen die hij als honorarium voor zijn overlevering ontvangen heeft, weer teruggeven aan de hogepriesters en de oudsten.
Dan zou zijn aandeel in het proces teniet gedaan zijn: hij erkende hiermee dat hij onschuldig bloed had overgeleverd.
Maar van deze schuldbekentenis is het Sanhedrin niet onder de indruk.
De Hoge Raad heeft een ander idee van ‘misdaad’ dan Judas en laat hem in niet mis te verstane bewoordingen weten dat zij niets te maken wil hebben met wat hij gedaan heeft.
De reactie van het Sanhedrin is kort en bot.
De evangelist Matteüs heeft er slechts vijf woorden voor nodig die in een hedendaagse vertaling met vier woorden zou luiden: ‘Hoezo wij? Bekijk het!’
Judas wordt hiermee volledig op zichzelf teruggeworpen.
Het is een onstuimig moment.
Dit schetst Matteüs in één korte zin met vier werkwoorden.
Judas smijt het geld in de tempel, vlucht en weggaand wurgt hij zichzelf.
(Matteüs 27,3-5)

Bloedakker

De leden van de Hoge Raad moeten tot overeenstemming komen over wat te doen met de dertig zilverlingen van Judas.
Het geld beschouwen zij als gemeenschapsgeld en dit moet ook als zodanig besteed worden.
Daarom besluiten zij tot de aankoop van een stuk land van de pottenbakker om die te bestemmen tot een begraafplaats voor pelgrims.
Bij de profeet Jeremia uit het Eerste Testament lezen we dat de grond deze naam (in het Aramees: Hakeldama) te danken heeft aan het feit dat de plaats doordrenkt is met onschuldig bloed, omdat er kinderoffers aan de afgod Baäl werden gebracht.
(Matteüs 27,6-10)

Emoties

Rembrandt schilderde dit paneel toen hij nog in Leiden werkte.
De geopende bijbel waar het volle licht op valt, duidt waarschijnlijk op de hierboven vermelde passages uit het Eerste Testament over de zilverlingen of over de bloedakker.
Van daaruit valt het licht op de verward gesticulerende leiders van het Sanhedrin en op de vuile penningen op de planken vloer.
Het is de vraag waar Judas zijn loon precies heeft neergeworpen (in het Grieks wordt het woord voor ‘heilig domein’ gebruikt).
Rembrandt schildert de zilverlingen aan de voeten van de joodse leiders.

Het schilderij werd al in 1630 door de kunstkenner Constantijn Huygens geprezen.
Deze was vooral enthousiast over de manier waarop Rembrandt de emoties van de door wroeging en wanhoop gekwelde Judas had uitgebeeld.
Het handenwringende gebaar ontleende Rembrandt aan de iconografie van een ter dood veroordeelde.
Huygens zou de jonge schilder later aanbevelen bij stadhouder Frederik Hendrik, hetgeen Rembrandt een serie opdrachten opleverde.

JUDAS

Rembrandt van Rijn (1606-1669)
Judas brengt de zilverlingen terug (1629)
Olieverf op paneel, 79 x 102 cm
Particuliere collectie