Paul Verheijen

RUBENS

Kruisoprichting


Walburgiskerk

Dit triptiek van Rubens is een van de meest bestudeerde werken van hem en werd oorspronkelijk vervaardigd voor de Sint-Walburgiskerk in Antwerpen.
Na de sloop van die kerk in 1817, verhuisde het drieluik naar de Onze-Lieve-Vrouwe kathedraal in Antwerpen, alwaar zich nog andere werken van Rubens bevinden, waaronder het drieluik de Kruisafneming

In gesloten toestand zien we vier heiligen afgebeeld die in verband staan met de geschiedenis van de Sint-Walburgiskerk.
De buitenkant van het linkerluik stelt Amandus van Elnon/Maastricht en Walburga van Eichstätt voor.
Amandus leest in een boek en is gehuld in een bijzonder rijke mantel, als teken van zijn bisschoppelijke waardigheid een kromstaf.
Hij was een bisschop uit de zevende eeuw die als eerste het geloof verkondigde in Antwerpen en daar in 660 de Borchtkerk bouwde, die na de verwoesting door de Noormannen werd vervangen door de Sint-Walburgiskerk.
Op het schilderij is hij een zeer ontzagwekkende bisschop.

Op de buitenkant van het rechterluik zijn Catharina van Alexandrië en Eligius afgebeeld.
Catharina beschikt over haar gebruikelijke attributen: het zwaard (waarmee ze onthoofd werd) en de martelaarspalm.
Eligius met bisschopsstaf, grotendeels verscholen achter haar, is (moeizaam) herkenbaar aan zijn attributen de hamer.
Beide heiligen zijn verbonden met de geschiedenis van de Borchtkerk.
In 645 preekte Eligius zes dagen lang in die kerk.

Voorzijde

In geopende toestand toont het schilderij een breed opgezette compositie die doorloopt over de drie panelen.
Op het middenpaneel wordt het diagonaal geplaatste kruis rechtgetrokken en omhoog geduwd door gespierde beulsknechten en geharnaste soldaten.
Op de luiken zien wij aan de linkerkant de treurende vrouwen met Maria en aan de rechterkant soldaten, de honderdman die de terechtstelling leidt en de twee moordenaars die samen met Christus zullen worden gekruisigd.

Olieverfschetsen


Er zijn in totaal zes schetsen bewaard gebleven in verband met dit drieluik.
Drie losse schetsen van de voorzijde (bewaard in het Louvre Parijs), twee van de achterzijde uit 1609-10 en een schets uit circa 1638 waarbij zijpanelen en middenpaneel tot een geheel zijn samengevoegd.
Amandus en Eligius op de achterzijde dragen op de schetsen nog mijters die op het uiteindelijke schilderij door engelen boven hen worden vastgehouden.
De twee engelen op de schetsen werden er daarom uiteindelijk vier.
Het aambeeld-attribuut van Eligius is op het definitieve schilderij niet meer te zien.
Waren deze schetsen waarschijnlijk bedoeld als modello, presentatieschets voor de opdrachtgever, de schets van de volledige voorzijde is pas jaren later in 1638 vervaardigd.
Deze totaalschets stond misschien model voor een gravure van Hans Witdoeck (1605-1642).
Omdat Rubens het oorspronkelijke drieluik tot één tafereel omwerkte, vergrootte hij de landschappelijke omgeving en wijzigde hij sommige figuren en motieven.
De man rechts boven Christus liet hij weg, de hond is veel kleiner, de bevelhebbersstaf van de honderdman te paard wijst meer omhoog naar Christus en de voeten van Christus zijn doorboord met twee spijkers (hetgeen aansloot bij toenmalige gewijzigde opvattingen in discussies over de historische juistheid van kruisigingsvoorstellingen).

Amandus van Elnon / Maastricht

De Franse edelman Amandus was de eerste die na de volksverhuizing rond 635 vanuit Rome als missionaris naar de bewoners van het gebied tussen Franken en Friezen werd gezonden.
Tevoren was hij monnik geworden in het benedictijnerklooster te Oye bij La Rochelle (Charen-te-Maritime) en had hij vijftien jaar lang bij de kathedraal te Bourges als inclusus (ingemetseld in een cel) geleefd.
Tijdens een reis naar Rome werd hij aldaar tot bisschop gewijd.
De Legenda Aurea vertelt dat hij in het klooster een heel grote slang ontmoette, er een kruis over sloeg en een gebed uitsprak zodat de slang terug kroop naar zijn hol om nooit meer terug te keren.
Hij kleede zich met een haren hemd en at en dronk niets anders dan water en gerstenbrood.
Toen hij in Rome eens een nacht verbleef in het klooster van de Sint Pieter werd hij er door de koster uitgezet.
Slapend voor de kerkdeur verscheen Petrus aan hem die hem opdroeg naar Gallië te trekken.
Toen Amandus een klooster wilde bouwen stuitte dat op weerstand van de bisschop aldaar en werd hij door knechten van die bisschop naar een berg gelokt om de plek aan te wijzen voor het klooster, maar met de bedoeling hem daar te kunnen doden.
Hij doorzag echter hun list, maar ging mee, omdat hij snakte naar het maretelaarschap.
Hij ontsnapte echter aan de dood omdat op de top van de berg een enorm onweer losbarstte dat elk zicht wegnam en ervoor zorgde dat de bisschopsknechten voor Amandus neervielen, hun misdaad bekenden en hem vroegen ongedeerd te blijven.
Amandus sprak een gebed uit en onmiddellijk werd het helder weer.
Rusteloos reizend preekte en doopte hij, niet altijd even zachtzinnig.
Naar aanleiding van een doop onder dwang brak een opstand uit en moest hij vluchten, en hij verlegde een tijd lang zijn werkterrein naar Tirol en Karnten.
Teruggekeerd stichtte hij kloosters (te Gent en Elno bij Doornik) en kerken (onder meer te Antwerpen), die alle aan de heilige Petrus gewijd werden.
Van de bisschopszetel van Tongeren, die hij in 647 in Maastricht bezet zou hebben, zag hij al na twee jaar af, om zich terug te trekken in Elno, waar hij in 679 stierf.
Zijn bekendste leerling is Sint Bavo.
Amandus, de 'apostel van Vlaanderen en van de Belgen', werd al vroeg zozeer vereerd, dat waarschijnlijk identificaties met vier andere heiligen met zijn naam het gevolg waren, waardoor de translatie van de relieken rond 700 naar diens bisschopsstad, waar ze vereerd worden, wellicht niet zijn gebeente betreft.
Hij is patroon van bierbrouwers, wijnhandelaren en kasteleins en wordt afgebeeld in bisschoppelijk ornaat met een staf en een boek, soms met een kerkmodel of met de door hem verdreven slang.
In de tijd van de Contrareformatie werd Amandus in de Nederlanden naar voren geschoven en afgebeeld als garant van het ware Roomse geloof.
Amandus' liturgische gedenkdag valt op 6 februari.

Walburga van Eichstätt

In de middeleeuwen was deze heilige maagd meer bekend dan tegenwoordig, getuige de vele aan haar toegewijde kerken.
De oudste kerken van bijvoorbeeld Groningen, Zutphen, Arnhem en Tiel waren of zijn nog steeds Walburgiskerken.
Walburga was een dochter van de Angelsaks Richard en zijn vrouw Wuna, die in de 10e eeuw aangezien werden voor een koningspaar.
Hun dochter werd rond 710 wellicht in Wessex geboren.
Legenden vertellen over haar heilige ouders: vader zou met zijn twee zonen Willibald en Wunibald via Rome naar het Heilig Land gepelgrimeerd zijn en in Lucca gestorven, waar hij als een heilige wordt vereerd.
Na haar opvoeding, misschien in het klooster Wimborn (Zuid-Engeland), werd Walburga met haar broers en enkele medezusters als missionaire hulp voor haar oom Bonifatius naar Duitsland gezonden.
Een door de duivel ontketende storm tijdens de overtocht bedaarde op Walburga's gebed.
Na de dood van Wunibald was zij van 761 tot haar dood in 779 abdis van het door hem gestichte klooster te Heidenheim, waar zij een dubbelklooster van maakte.
Zij zou er de dochter van de plaatselijke burchtheer genezen hebben.

Walburga behoort tot de groep heiligen die myrobliet worden genoemd, omdat uit hun relieken een mirre, olieachtige vloeistof, balsem of een andere substantie met genezende krachten wordt afgescheiden (zie ook Nicolaas en de apostelen Johannes en Andreas).
Toen Walburga's lichaam een eeuw na haar dood werd overgebracht naar het naar haar genoemde klooster te Eichstätt, waar Willibald bisschop was geweest, werd bij de opening van het graf zo'n geneeskrachtig vocht ontdekt.
Bij tijd en wijle stroomt deze zogenaamde Walburga-olie nog steeds vanaf de rots waarop haar relieken toen werden geplaatst.
De olie wordt dan in een schaal opgevangen en over ampullen verdeeld.

Vanuit Eichstätt verspreidde Walburga's verering zich over heel Duitsland, Vlaanderen en Noord-Frankrijk.
Zij beschermt boeren en kraamvrouwen en geneest oogkwalen.
Walburga kent twee liturgische feesten: op 25 februari en haar translatie op 1 mei.
Een van oorsprong voorchristelijk feest dat in sommige Europese landen wordt gevierd in de nacht van 30 april op 1 mei - waarbij alle magische machten, met name de heksen, losbreken - is later vanwege deze datum Walpurgisnacht genoemd, maar heeft verder met Walburga niets van doen, behalve dan dat zij hekserij juist bestreed.
Walburga beeldt men gewoonlijk af als (benedictijnse) abdis met staf, boek, kroon, scepter en/of olie-ampul.

Eligius van Noyon

Eligius was eerst hoefsmid, later goudsmid en muntmeester in de tijd van de Merovingische koningen Chlotarius II en Dagobert I en werd rond 590 in de Limousin geboren.
De legende vertelt dat hij een knecht in dienst had die een duivels paard een been afsneed, de hoef rustig van een nieuw ijzer voorzag en het been er weer aanzette.
De knecht was Christus zelf die deze wondermacht ook leerde aan Eligius.
Als eerlijk vakman werd Eligius door de vorsten gewaardeerd.
Toen hij eens een kostbare troon moest maken voor de koning, maakte hij er uit het overvloedige materiaal twee, om niet het overtollige voor zich te houden, zodat hij als raadsman aan het hof werd aangesteld.*
In die functie wijdde Eligius hij aan sociale activiteiten tot aan de dood van Dagobert in 639, toen hij met zijn vriend Audoin het hof verliet om zich priester te laten wijden.
Vanaf 641 was Eligius bisschop van het Noord-Franse diocees Noyon, waartoe ook Vlaanderen toentertijd behoorde.
Circa 660 is hij gestorven.
Gedurende de middeleeuwen werden zijn relikwieën bijzonder vereerd en zijn deze minstens vijf keer naar andere plaatsen overgebracht.
De Notre-Dame-kathedraal van Noyon pretendeert de belangrijkste van zijn relieken te bezitten toen deze in 1952 werden verkregen van de benedictijner abdij in Oosterhout.
Voor zover bekend worden in Nederland nog relieken van hem bewaard in Utrecht, Maastricht en Geleen.
Eligius werd de beschermer van hoefsmeden, edelsmeden, metaalbewerkers, paardehandelaren en voerlui.
Hij wordt ook vereerd als bouwer van het klooster Ours-camp ('bereveld') bij Noyon.
Volgens de legende werd een ossenkar die stenen aanvoerde voor de bouw geconfronteerd met een gruwelijke beer.
De jonge wagenmenner sloeg op de vlucht en de beer deed zich te goed aan de os, waarop Eligius de beer vervloekte en hem opdroeg de kar te trekken in plaats van de gedode os.
Iconografisch zijn bij hem drie types te onderscheiden: als hoefsmid, als goudsmid of als bisschop.
Zijn liturgische feestdagen vallen op 1 december en de zondag na 24 juni (translatie) en heten respectievelijk 'koude Elooi' en 'warme Elooi'.
* Deze troon bevindt zich als Fauteuil / Thrône de Dagobert in het Département des Monnaies, Médailles et Antiques van de Bibliothèque nationale de France in Parijs.
Peter Paul Rubens (1577-1640)
1. De Kruisoprichting (1610-11)
Olieverf op panelen, 460 × 340 cm (middenpaneel); 460 x 150 cm (zijpanelen)
Antwerpen - Onze-Lieve-Vrouwe-Kathedraal

2. Schetsontwerpen achterzijde zijluiken (1610)
Olieverf op paneel, 67 x 25 cm elk
Londen - Courtauld Gallery

3.Schetsontwerp voorzijde als geheel (±1638)
Olieverf op papier geplakt op doek, 72 x 133 cm
Toronto - Art Gallery of Ontario