Paul Verheijen

JAN STEEN

Laban en Rachel

Ongesteld

Rachel is de dochter van Laban, een broer van Isaaks vrouw Rebekka.
Na zeven jaar gehuwd te zijn geweest met haar oudere, zwakziende zus Lea, verkreeg Jakob haar als tweede vrouw.
Toen Rachel met haar versbakken echtgenoot Jakob de ouderlijke tent van haar vader Laban verliet, nam zij stiekem de afgodsbeelden mee.
Jakob was heimelijk vertrokken naar zijn geboortestreek Kanaän, samen met Lea, haar zus Rachel, twee bijvrouwen, elf kinderen, slaven, slavinnen en dieren.
Na een week werd dit gezelschap ingehaald door Laban die zijn afgodsbeelden miste.
Hij beschuldigde Jakob ervan die te hebben meegenomen.
Laban en zijn mannen doorzochten de tenten van Jakob en zijn vrouwen, maar vonden de beelden niet.
Rachel had ze namelijk in een kameelzadel verstopt, was daarop gaan zitten en zei tegen haar vader dat ze niet op kon staan vanwege haar ongesteldheid.
(Genesis 31,17-35)

Bij de geboorte van haar tweede zoon, Benjamin geheten, stierf zij en werd ze begraven langs de weg naar Betlehem (Genesis 35,16-19).

Exotisch

Het onderwerp van het hier afgebeelde schilderij werd tot midden 19e eeuw niet herkend.
Het stond in veilingcatalogi te boek als 'Dorpskermis' of 'De kuddes van Abraham in Mesopptamië' of het werd omschreven als 'blik op een open ruimte waar een aantal mannen met hun vrouwen, kinderen en kuddes, zich ophouden.'
Voor Jan Steen bood dit bijbelse verhaal volop gelegenheid exotische details, zoals een hoge parasol en twee kamelen, te schilderen.
Rachel houdt de gestolen beelden onder haar blauwe rok en rode mantel verborgen.
Het kind op haar arm is Jozef, de zoon die zij na lange kinderloosheid baarde.
Ze kijkt op naar haar vader Laban die met zijn rug naar ons staat en een vergeefse blik werpt in de koffer die Jakob voor hem geopend houdt.
Jakob zweert van niets te weten, want hij houdt de hand op zijn hart.
Naast hem staan Lea en een bijvrouw(?).
Geheel links inspecteren twee mannen een zadeltas en in het midden voegde Steen knikkerende kinderen toe.
Het meisje dat ons aankijkt heeft een pop op haar arm en lijkt daarmee Rachel met Jozef te imiteren.
De twee zwart-witte geiten verwijzen naar de kudde van gevlekte en gespikkelde dieren die Jakob op listige wijze van zijn oom Laban verworven had.
Steen voegde verder nog ossen en een paard toe, maar de tenten die in het verhaal genoemd worden, liet hij achterwege.

Mogelijk schilderde Jan Steen (een deel van) hetzelfde verhaal nog een keer.
Een Amsterdamse veilingcatalogus uit 1816 meldt van zijn hand Het Vertrek van Laban, maar dit schilderij is verder niet bekend.
Mogelijk gaat het om hetzelfde werk, hoewel de in de catalogus genoemde afmetingen (116 x 178 cm) groter zijn.

Stro en Hoefblad

Het lijkt erop dat Rachel niet op een kameelzadel zit, maar op stro op de grond.
In de Hebreeuwse grondtekst van het verhaal is er sprake van bekhar hagkamal, 'zadeltuig van een kameel', maar de Latijnse Vulgaat vertaalt dit met stramenta cameli, 'stro van een kameel.'
Mogelijk dat Jan Steen - in aansluiting op de zogenaamde Amsterdamse Moerentorfbijbel uit 1657 - zich hierop baseert.

Rechtsvoor schilderde Steen grote hoefbladeren die in zijn tijd ook wel Filae ante Patrem, 'dochters vóór vader', omdat bij deze plant de bloemen eerder verschijnen dan de bladeren.
Is dit bewuste symboliek die Steen aanbrengt, omdat de beide dochters van Laban vóór hun vader uitreisden?

Betlehem

Sinds het begin van de christentijd vereert men het graf van Rachel bij Betlehem en kreeg zij een liturgische gedenkdag op de heiligenkalender: 15 januari.
Ze wordt soms ook afgebeeld bij voorstellingen van de kindermoord in Betlehem, vanwege het citaat dat de evangelist Matteüs bij dit verhaal schrijft:
Er klonk een stem in Rama, luid wenend en klagend. Rachel beweende haar kinderen en wilde niet worden getroost, want ze zijn er niet meer.
Jan Steen (1626-1679)
Laban zoekt de door Rachel gestolen afgodsbeelden (±1671)
Olieverf op doek, 110 x 146 cm
Leiden - Museum De Lakenhal