Paul Verheijen

VAN EYCK

Madonna

Jan Vos

De Madonna van Jan Vos is een klein olieverfschilderijschilderij waaraan Van Eyck is begonnen, maar dat werd afgewerkt door zijn atelier na zijn dood.
Aangezien hij stierf tijdens de voltooiing ervan, wordt het algemeen beschouwd als zijn laatste werk.
Het paneel werd gemaakt in opdracht van Jan Vos, die in maart 1441 aantrad in de buurt van Brugge als prior van een kartuizer klooster.
Kunsthistorici zijn het er in het algemeen over eens dat van Eyck verantwoordelijk is voor het ontwerp en het schilderen van de centrale Madonna en het kind.
De bijbehorende figuren en details van de achtergrond werden voltooid door een medewerker van zijn atelier die zich liet inspireren door eerder werk van Van Eyck.

Hier staat Maria met haar kind voor een met goudbrokaat bekleed baldakijn.
Een dergelijk baldakijn, ook wel troonhemel, processiehemel of draaghemel geheten, is een van kostbare stof gemaakte overkapping, die als eerbewijs boven een persoon of voorwerp geplaatst of gedragen wordt.
Het woord baldakijn (in het Italiaans: baldacchino) is afgeleid van de oude Italiaanse naam voor de stad Bagdad, Baldacco, waar de kostbare stoffen (zoals brokaat en zijde) vandaan kwamen.
Op de guirlandes op de stof staan geweven de inscripties AVE (Wees gegroet) en GRA[tia] PLE[n]A (vol van genade).
Maria’s met edelstenen afgezette jurk, de tegels met geometrische patronen en het stadsgezicht in de achtergrond, zijn tot in detail geschilderd.

Alle figuren staan ​​in een buitenloggia begrensd door een reeks arcades.
Het landschap is uitgestrekt en oogt zeer 'Eyckiaans'
Kunsthistorici hebben tevergeefs geprobeerd zowel de stad als de kathedraal te identificeren.
In dit geval zijn ze waarschijnlijk denkbeeldig.

Barbara en Elisabeth

Links staat de heilige Barbara, herkenbaar aan de toren achter haar.
Barbara is patrones van soldaten en Jan Vos was voor zijn intrede bij de kartuizers lid van de Duitse Orde.
Een standbeeld van de godheid Mars is te zien door het raam van Barbara's toren.

Rechts zien we Elizabeth van Hongarije (ook van Thüringen of van Hessen genoemd). Haar kerkelijke feestdag is op 17 november en in Duits sprekende landen op 19 november.
Het Roomse Martelaarsboek herdenkt haar als volgt:
In de stad Marburg in Duitsland het overlijden van de heilige weduwe Elisabet, een dochter van de Hongaarse koning Andreas. Zij behoorde tot de derde orde van Sint-Franciscus, legde zich voortdurend toe op werken van godsvrucht en is beroemd om haar wonderen naar de Heer opgegaan.
Elisabeth trouwde in 1207 met Ludovicus IV, landgraaf van Thüringen.
Met haar biechtvader stichtte ze te Marburg a.d. Lahn een hospitaal, waar ze zich, in de ban van de pas in Duitsland doorgedrongen franciscaanse spiritualiteit, tot haar dood in 1231 wijdde aan armen- en ziekenzorg, reden waarom veel ziekenhuizen haar naam dragen.
Rond haar persoon zijn veel legenden ontstaan waarin de werken van barmhartigheid een rol spelen.
De Legenda Aurea schrijft uitgebreid over haar leven.
Tijdens een hongersnood geeft Elisabeth de dorstigen te drinken en het vat bier van de plaatselijke herberg raakt nooit leeg.
Ze naait zelf kleding en geeft deze weg.

Iconografisch is deze uit andere bronnen bekende legende van belang:
Elisabeth heeft in de keuken van het kasteel versgebakken brood gepakt en dat in haar schort gewikkeld.
Ze wil hiermee op weg gaan naar de armen om het brood uit te delen.
Maar haar schoonvader (variaties op deze legende spreken over haar man of vader) ziet haar wegglippen en houdt haar streng tegen.
Het brood in haar schoot verandert tijdens zijn berisping in rozen.
Eenzelfde legende wordt ook verteld over Casilda van Burgos en beide heiligen worden dan ook vaak afgebeeld met rozen in hun schoot.

Ook na haar dood vonden talrijke wonderen plaats al dan niet bij haar graf.
Het gebeurde eens, zo vertelt Da Voragine, dat een vierjarig knaapje in een put viel en door iemand uit de buurt die water wilde putten ontdekt werd.
Hij trok het uit de put, maar zag dat hij om zes redenen overduidelijk dood was: er was lange tijd verstreken, zijn lichaam was ijskoud, zijn ogen en mond stonden wijd open, zijn huid was zwart, zijn lichaam gezwollen en hij bewoog niet meer.
Hij deed een gelofte aan Sint Elisabeth om hem op te wekken en onmiddellijk werd het knaapje levend.

Elisabeth werd slechts 24 jaar en vier jaar na haar dood door paus Gregorius IX heilig verklaard.
De westerstorm van 18 op 19 november 1421 - die de Biesbos deed ontstaan - wordt vanwege de datum de 'Elisabethsvloed' wordt genoemd.
Van Eyck heeft haar hier afgebeeld met de kroon - die zij afstond om in strenge ascese tertiaris te worden- en gekleed in het habijt van de derde orde van Franciscus.
Jan van Eyck (ca 1390-1441) en atelier
Maria en kind, met de heilige Barbara, heilige Elizabeth van Hongarije en Jan Vos (circa 1441-1443)
Olieverf op paneel, 47,3 x 61,3 cm
New York - Frick Museum