Paul Verheijen

SIMEON DE STYLIET

Sinister zelfportret van Carel Willink


Ascese

Simeon de Styliet (de oudere & de jongere) beoefenden in Syrie een merkwaardig soort ascese.
Mannen staande of knielend sleten hun leven, vastend, mediterend, prekend, raad gevend en genezend, op een of meerdere opgestapelde zuilentrommels (stylos - vandaar de bijnaam stylites - waarop een platform was aangebracht.
De in het Westen gangbare benaming `pilaarheilige' is feitelijk niet geheel correct omdat het hier een heiligenbeeld op of aan een lange smalle pilaar betreft.
Veel zuilen uit de vervallen of gesloopte hellenistische tempels in Syrie hadden aan de voet al gauw een middellijn van minstens een meter, voldoende ruimte - zij het dan met de nodige moeite - om op te bestaan.
Reden voor deze opmerkelijke positie kan bescherming geweest zijn tegen opdringerige bezoekers.
Een andere theorie leert dat het hier gaat om navolging van phallusbestijgende - op penisachtige stenen zittende - vereerders van de vruchtbaarheidsgodin Atargatis in Hierapolis.
Leerlingen verzorgden de asceten via ladders.
Vrouwen was deze leefwijze verboden.
Rondom de zuilen ontstonden — soms al tijdens hun leven — voorzieningen voor pelgrims, die de plaats ook na de dood van de heilige bleven bezoeken.

De oudere

Simeon de oudere werd eind 4e eeuw in het grensgebied tussen Syria en Cilicie geboren.
Tot ongeveer 403 hoedde hij de schapen van zijn ouders.
Hij werd kloosterling in een nabijgelegen klooster, maar moest dit verlaten vanwege zijn extravagante beoefening van de ascese.
- Hij vond in het ruwe touw van een waterput een geschikt instrument voor zelfkastijding door het zo strak om zijn naakte lichaam te binden dat het diep in zijn vlees drong; de stank van de wond die dat veroorzaakte én van zijn nooit gewassen kovel was ondraaglijk geworden.
-Hij dronk slechts een mengsel van water, azijn en zout.
- Om zijn besluit een strenge levenswijze voortaan vol te houden kracht bij te zetten, vertrok hij naar een bergtop en maakte daar zijn rechterbeen vast met een zware ijzeren keten, maar verwijderde deze weer toen hem werd gezegd dat een sterke wil voldoende was om zo rigoureus ascetisch te blijven leven.
- Hij liet zich inmetselen gedurende de 40 dagen van de vasten en at en dronk die tijd niets.
- Na jaren als eremiet te hebben geleefd trok hij zich in 422 voor de rest van zijn leven terug in de buurt van Antiochie, op een zuil die, aanvankelijk ongeveer twee meter hoog, telkens verhoogd werd, tot achttien meter toe.

Groot en klein, armen en rijken bezochten de wonderdoener, die tweemaal daags allen raad schafte, op alle denkbare terreinen, geschillen aanhoorde en ze regelde en alle nood lenigde.
Na zijn dood in 459 — hij had toen 39 jaren op een zuil doorgebracht — werd zijn lichaam in de kathedraal van Antiochie begraven.
Zijn plaats op de heiligenkalender werd 5 januari en het Roomse Martelaarsboek herdenkt hem op deze dag met de woorden:
Te Antiochië de heilige monnik Simeon. Hij bracht vele jaren in staande houding op een kolom door en kreeg dan ook de bijnaam 'Styliet' (d.i. zuilbewoner). Zijn leven en handelwijze waren wonderbaar.

De jongere

Simeon de jongere werd in 521 te Antiochie geboren.
Al op 6-jarige leeftijd had hij zijn eerste zuil bij een leermeester Johannes.
Toen hij 12 jaar was werd hij diaken en besteeg hij een zuil van ruim zeven meter hoog ten zuiden van Antiochie.
De toeloop van vereerders werd zo groot, dat hij in 541 de bergen in trok en op de `bewonderenswaardige berg' een nog hogere zuil betrok.
Zijn leerlingen bouwden op aanwijzingen van zijn moeder Martha een klooster.
In 551 werd Simeon priester gewijd.
Hij stierf, na 69 jaren op een zuil, in 592 en werd met zijn moeder in het klooster begraven.

In de kunst

Beide heiligen, vaak alleen te identificeren door een bijschrift of door de vorm van hun baard, werden afgebeeld in hun concrete situatie: boven op een zuil, soms geknield, soms staande: op allerlei eulogia, dit zijn pelgrimssouvenirs, op zuiltjes, zilveren platen, en vooral op honderden ikonen.
Zij dragen meestal een monnikengewaad, hebben een baard en een uitgemergeld ascetengezicht.
Simeon de jongere draagt ter onderscheiding een ronde baard, de oudere heeft een gespleten baard.
Soms houden zij een boekrol vast of maken zij een spreekgebaar.
Hun zuil wordt wel bekroond door een kapiteel en meestal is de schamele behuizing op de top summier aangegeven: een balustrade, een plankier, een kuip of een tent.
Vaak is de ladder voor de verzorging weergegeven; ook wel een korf en een kruik aan koorden.
Op latere ikonen wordt de zuil een toren met deur of raam en onder de zuil zie je verwanten, pelgrims of leerlingen staan en soms is het monnikenleven er rondom afgebeeld.
Een enkele maal slingert zich een slang rond de zuil, mogelijk onder invloed van de Asclepius- of als toespeling op wonderen in verband met een slang, of op zijn strijd tegen de boze machten.
Als er een omgeving wordt aangeduid, is dat een dor berglandschap of een kloostercomplex.

Dreigende ondergang?

Afbeeldingen van Simeon de Styliet komen in het Westen weinig voor.
Het werk van Anton Carel Willink wordt vaak in verband gebracht met naderend onheil en de Tweede Wereldoorlog.
Zo beschreef de Haagse Post op 27 december 1952 hem als iemand die volwassen werd tussen twee wereldoorlogen en betitelde De Volkskrant op 17 november 1956 hem als schilder van dreigende ondergang.
Gezien enkele voorstudies is Willink aan dit schilderij begonnen in 1938.
Een jaar later vielen de Duitsers Polen binnen en brak de Tweede Wereldoorlog uit.
Dat geeft dit sinistere doek een bijna profetische lading.
Het was dan ook geen rooskleurige tijd waarin Willink leefde.
De verschrikkingen van de Eerste Wereldoorlog maakten diepe indruk op hem, met name ook omdat hij begin jaren twintig in Duitsland woonde.
Met dit schilderij greep Willink terug op een heel oud thema en geeft hij een heel eigen invulling en inkleuring aan dit legendarische verhaal.
De figuur op de pilaar is hijzelf.
Zijn houding is veelzeggend: niet strijdbaar, maar in berustende kleermakerszit.
De bange blik richt hij naar boven, alsof hij daarvandaan tevergeefs antwoorden verwacht op zijn wanhopige vragen.
Om hem heen heerst verval en verwoesting en ontbinding.
Inktzwarte rookwolken hangen boven de stad die hij achter zich heeft gelaten.
De zuil waarop hij zit, is restant van een klassiek tempelcomplex.
Hij is de eenzame overlevende van een instortende wereld.
Willink lijkt te willen waarschuwen tegen dreigende rampspoed.
Tegelijk bekruipt je het gevoel dat de ellende onafwendbaar is, een onverbiddelijk noodlot.

Absurdisme?

De berustende houding van Simeon lijkt de weg te wijzen naar stoïcijnse aanvaarding.
Maar is het schilderij juist daarom ook een aanklacht, een verwijt aan christenen die zich uit de wereld terugtrekken en in zelfgekozen isolement hun eigen vroomheid beleven in plaats van op te treden tegen - naderende - ongerechtigheid?

In een reactie op een eerdere versie van deze webpagina mailde Sylvia Willink het volgende:
Het grappige is dat men in Nederland nooit het absurde kan zien in dit schilderij.
Het absurde is dat Simeon op die pilaar dichter bij GOD denkt te komen, en zo met veel bidden en afsmeken onheil tracht af te wenden! (de wereld was nog plat, weet je wel?).
En dat is natuurlijk absurd, alhoewel heel symphatiek.


Het oeuvre van Willink kent ontegenzeggelijk ook veel optimistische werken.
Albert Carel Willink (1900-1983)
Simeon, de pilaarheilige (1939)
Olieverf op doek, 56 x 76 cm
Den Haag - Kunstmuseum