Paul Verheijen

GIOVANNI BILIVERT

Calixtus

Pausen Calixtus

In de kerkgeschiedenis waren er tot op heden drie pausen en een tegenpaus die Calixtus (Callixtus, Callisto, afgeleid van het Griekse kallistos, 'de zeer schone') als pausnaam hebben gekozen:
  • Calixtus I (±217-222/3; 14 oktober)
  • Calixtus II (1119-1124)
  • Calixtus III (1168-1178; tegenpaus)
  • Calixtus III (1455-1458)
Alleen Calixtus I is heiligverklaard. Over hem gaat deze pagina.

In de put

De legende vertelt dat Calixtus een slaaf was van de christen Aurelius Carpeforus, een verwant van keizer Commodus. Carpeforus voedde Calixtus op als christen en maakte hem vrij en gaf hem enig kapitaal om een 'bank' te beginnen. Maar Calixtus verloor het geld en stal geld van zijn vroegere meester. Hij werd gearresteerd toe hij op het punt stond zich in te schepen. Hij kwam opnieuw in dienst van Carpeforus, uiteraard als slaaf. Calixtus moest werken aan de tredmolen, totdat hij zijn schuld betaald zou hebben voldaan. Veel mensen pleitten echter met succes voor hem bij Carpeforus. Hij maakte Calixtus voor de tweede keer vrij en schold hem zijn schuld vrij. Calixtus had een fijne neus voor bankzaken en ging nu geld uitlenen tegen woekerrente. Op een sabbat achtervolgde hij een insolvente jood tot in een synagoge. Dat werd hem noodlottig. De joodse overheden dienden een klacht tegen hem in wegens verstoring van een eredienst. Calixtus werd gegeseld en veroordeeld tot dwangarbeid in de mijnen van Sardinië. Door een gelukkig toeval ontsprong hij de dans.
Teruggekeerd in Rome wist hij door te dringen in de hoogste kerkelijke kringen, waar zijn financiële en administratieve talenten niet onopgemerkt waren gebleven. Toch had Victor weinig met hem op, want hij verwijderde hem met een onbeduidende opdracht uit Rome. Diens opvolger Zephrinus haalde hem terug en vertrouwde Calixtus blindelings en maakte hem tot zijn secretaris. Ook werd Calixtus belast met de reorganisatie van het naar hem genoemde kerkhof.
In 217 werd hij gekozen als 15e opvolger van Petrus. Hij deed zijn best de lichamen van martelaren op te sporen. Zijn bekwaamheid en menselijkheid ten aanzien van christenen die uit angst voor de Romeinse vervolgingen weer waren teruggevallen op hun oude geloof. Calixtus geloofde voor hen in Gods genade, wat in schril contrast was met de strenge leer in die tijd. Mede daardoor raakte hij bij conflict betrokken. Hij bestreed het sabellianisme die de Drie-eenheid ontkenden en stelde volgens de legende de quatertemperdagen in wat niet aannemelijk is omdat Leo de Grote dit deed. Hij droeg in belangrijke mate bij aan de ontwikkeling van de kerkelijke kunst door het beschilderen van kerken te bevorderen om de ongeletterde gelovigen het evangelie te onderwijzen. Verder stond hij toe dat vrouwen van hogere stand in het huwelijk traden met mannen van lagere afkomst, wat in strijd was met de Romeinse wetgeving.

De legende van zijn marteldood in 222 is te lezen in hoofdstuk 150 van de Legenda Aurea. Samengevat schrijft De Voragine dat een door God veroorzaakte brand de gouden linkerhand van een Jupiterbeeld had laten smelten. Toen er zoenoffers aan Jupiter werden gebracht, werden vier afgodenpriesters door een goddelijke bliksem getroffen, het Jupiteraltaar verwoest en de zon verduisterd, waarop de Romeinen buiten de muren vluchtten. De christenen kregen van dit alles de schuld. Consul Palmatius trok de Tiber over om de daar wonende christenen te verdelgen, maar zijn soldaten werden onmiddellijk met blindheid geslagen. Keizer Alexander gaf opdracht dat het volk offers aan Mercurius moest brengen. Tijdens die ceremonie werd Juliana, een tempelmaagd, door een demon gegrepen onder luid uitroepen dat de god van Calixtus de ware en enige God is. Toen Palmatius dat hoorde, liet hij zich met zijn vrouw en zijn huishouden dopen. Iemand zegde Palmatius toe ook christen te worden als zijn verlamde vrouw werd genezen. Dat gebeurde en ook zij werden gedoopt. Toen dit de keizer ter ore kwam, liet hij alle gedoopten onthoofden. Calixtus liet hij nog vijf dagen zonder eten en drinken in leven. Maar toen hij zag dat Calixtus alleen maar sterker werd, liet hij hem elke dag met knuppels bewerken en daarna uit een raam naar beneden gooien en vastgebonden aan een blok steen in een put werpen. Een priester haalde zijn lichaam uit de put en begroef het.

Giovanni Biliveri schildert deze marteldood op de hier getoonde afbeelding. De pauselijke tiara is van zijn hoofd op de grond gevallen. Dit hoofddeksel is een mooi voorbeeld van een anachronisme want de paus kreeg pas een tiara op zijn hoofd in de 9e eeuw.
In 1849 werden er aan de Via Appia catacomben ontdekt. Die werden naar Calixtus genoemd omdat hij voor zijn pausschap bestuurder was van een kerkhof. Of dat kerkhof identiek is aan wat we nu de catacomben noemen is de vraag.
De relieken van Calixtus liggen niet in die catacomben wat je zou verwachten, ook niet in de San Callisto (volgens de traditie gebouwd op de plaats waar de put stond), maar in de basiliek Santa Maria in Trastevere in Rome die hij had laten bouwen. Keizer Alexander was blijkbaar toch ooit minder wreed geweest dan De Voragine hem beschrijft.
Het Roomse Martelaarsboek herdenkt Calixtus op 14 oktober met verwijzing naar zijn marteldood in de put.
Giovanni Bilivert (1585-1644)
San Callisto gettato nel pozzo (1604-10)
Olieverf op doek
Rome - San Callisto a Trastevere
2016 Paul Verheijen / Nijmegen