Paul Verheijen

MATTHIAS GRÜNEWALD

Isenheim altaar - Aanzicht 2

Linkerpaneel


Het tweede aanzicht was vermoedelijk bestemd voor de kerst- en paastijd.
Op het linkerpaneel is de Annunciatie afgebeeld: de aartsengel Gabriël verkondigt aan Maria dat zij zwanger is.
Tegen de conventies van die tijd in, komt Gabriël niet van links, maar van rechts, hetgeen misschien te maken heeft met God op het middenpaneel. De lijn van God naar Gabriël krijgt op die manier meer de nadruk.
De jonge Maria wendt haar hoofd af van Gabriël.
De ruimte waarin de annunciatie zich afspeelt, is een kerk of een kapel, een heilige plaats.
Volgens middeleeuwse legendes bracht Maria haar jeugd door in de tempel om teksten te bestuderen die over de komst van de Messias handelen.
Gabriëls rechterhand heeft de zegenende houding: drie vingers horizontaal (Drie-eenheid) en twee vingers verticaal (twee naturen Christus).

Linksboven in het gewelf is de profeet Jesaja te zien met een opengeslagen boek met zijn bijna standaardtekst die ook staat op de opengeslagen bladzijden van het boek waarin Maria las, waarbij de eerste zin op de rechterpagina wordt herhaald.

Ecce virgo concipiet et pariet filium et vocabitur nomen eius Emmanuel. Butyrum et mel comedet, ut sciat reprobare malum et eligere bonum.
Zie, de jonge vrouw is zwanger, zij zal spoedig een zoon baren en hem Immanuel noemen. Boter en honing zal hij eten, totdat hij in staat is om het kwade te verwerpen en het goede te kiezen.
(Jesaja 7:14-15)


De veelgebruikte lelie op Annunciatieafbeeldingen is mogelijk geschilderd op de enigszins onduidelijke top van Gabriëls staf.
Het rode en groene gordijn dragen een rijke symbolische lading in de context van de gotische kerksetting. Ze verwijzen naar de tempelvoorhang uit het Eerste Testament die de Ark des Verbonds (symbool voor Gods aanwezigheid) verborg in het Heilige der Heiligen, alleen toegankelijk voor de hogepriester eens per jaar. Deze sluier scheurde bij Christus' kruisiging van boven naar beneden, teken van universele toegang tot God. Hier zijn de gordijnen opzij geschoven om goddelijk licht toe te laten, anticipatie op de incarnatie en verlossing.
Het rode gordijn symboliseert Maria's maagdelijkheid en het bloed van Christus, passend bij de passie-thema's voor pestpatiënten in het hospitaal van Isenheim. Het groen gordijn waarboven de heilige Geest in de gedaante van een duif vliegt, staat voor leven, paradijs of eeuwig leven, contrasterend met de doodse context en is een voorbode van de verrijzenis op het rechterpaneel. ​
In de kerkachtige ruimte (Maria als Kerk die Christus 'draagt') markeren de gordijnen de overgang van Eerste naar Tweede Testament: licht (Christus als Licht der wereld) stroomt binnen via de duif van de Heilige Geest. Dit troostte de pestlijders aan ergotisme en pest, met de Ark-achtige kist ertussen als verwijzing naar Maria als Nieuwe Ark

De lessenaar waarop Maria's boek ligt wordt door kunsthistorici vaak geïnterpreteerd als een ark-achtige kist, verwijzend naar de Ark des Verbonds uit het Eerste Testament. Deze houten structuur tussen de twee gordijnen fungeert als symbolische 'Nieuwe Ark', waarin Maria – met het opengelegde boek Jesaja – het Woord Gods (Christus) draagt, parallel aan hoe de oorspronkelijke Ark de tafelen van de Wet huisvestte. De opengeslagen gordijnen onthullen haar als tabernakel van de incarnatie, met goddelijk licht dat binnenstroomt. Deze interpretatie past in de middeleeuwse typologie: Maria als vervulling van de Ark, die Gods aanwezigheid symboliseerde en alleen voor priesters toegankelijk was. Grünewald benadrukt dit voor de lijdende gelovigen in het hospitaal, met de lessenaar als altaar dat hoop op verlossing biedt.

Middenpaneel


Op de middenpanelen is een unieke afbeelding te zien: Maria die het kind Jezus gaat baden (of heeft gebaad) in het bijzijn van musicerende engelen in een soort tempeltje.
Je ziet een houten tobbe, een potje en een bedje. Met name over het potje zijn interessante interpretaties gedaan. Gaat het om een pispot dan zou het de menselijkheid van Jezus benadrukken, maar is het een waterkan dan kan het samen met de wastobbe slaan op Jezus’ doop. Anderen wijzen op de context van de ziekenverzorging door de Antonieten. Maria lacht het kind toe en zit in een Hortus Conclusus. Ze is zó groot afgebeeld dat ze staand niet in de tempel zou passen.

Het Kind Jezus toont zijn moeder een rozenkrans en is gewikkeld in een rafelige gescheurde doek die doet denken aan de lendendoek van Christus aan het kruis en des te meer opvalt omdat Maria rijk gekleed is. De doek is dus reeds een verwijzing naar het toekomstige lijden van Christus. Rechts van Maria zien we rode rozen zonder doornen.

Op de achtergrond verkondigt een engel Jezus’ geboorte aan twee herders die een kudde hoeden. Interessant detail daarbij is dat de kudde niet bestaat uit schapen, maar uit varkens. Overduidelijk ongepast in een joodse context, maar zeer begrijpelijke binnen die van de Antonietenorde.

Opvallende afwezigen zijn Jozef, de os en de ezel.

In de tempel aan de linkerzijde is Maria voor de tweede keer te zien als Hemelse Koningin met nimbus. De engelen zijn serafijnen (in het rood, de kleur van de morgenhemel) en cherubijnen (in het blauw van de middaghemel).

Een curieuze musicerende gevleugelde engel zien we binnen in de tempel geheel links (zie inzet). Om een zichtbare overgang tussen engelenlichaam en vleugels te vermijden heeft Grünewald het hele engelenlijf van een bontgekleurd verendek voorzien.

Ook hier zijn op de gouden zuilen Bijbelse personen te herkennen: links Mozes met de stenen tafelen, rechts Johannes de Doper en op de dubbelzuilen in het midden staat rechts de profeet Jeremia en links Ezechiël. Onder hen is de aartsvader Jacob afgebeeld. Omdat Ezechiël een groot visioen beschrijft van de nieuwe tempel die omheind wordt door grote poorten (Ezechiël 40) werd deze profeet in de middeleeuwen een geliefd Mariasymbool.

Rechterpaneel


Op het rechterpaneel is de verrijzenis van Christus afgebeeld in rijke kleurschakeringen.
Christus vaart uit het graf, hier een sarcofaag, omhoog en laat een sleep stralend licht achter zich.
De meterslange lap stof van de lijkwade reflecteert dit licht, een aureool van wit en geel, oranje en rood.
Met een lichte glimlach op zijn gezonde rode lippen, zijn huid zo wit als albast, toont hij zijn wonden.
Hij heeft de typische Grünewald-vingers: lang, licht mollig en buigzaam.
Christus' hoofd- en baardharen zijn hier hoogblond, waarschijnlijk zal een man uit de streek model hebben gestaan.
Het is nacht en de hemel is bezaaid met sterren.

Er is een groot verschil tussen de verrezen Christus die over het tafereel zweeft en de hulpeloze gebaren van de soldaten op de grond die verblind en verbijsterd zijn door de lichtverschijning.
Ze wenden hun gezicht af en krimpen ineen in hun harnas.
Hun verwrongen gestalten contrasteren sterk met de serene en majestueuze kalmte van de verheerlijkte Christus.
2016 Paul Verheijen / Nijmegen