Paul Verheijen

JAKOB

Genesis 37,1 - 50,26

Jakob is na Abraham en Isaak de derde en misschien wel meest geprononceerde van de aartsvaders.
Hij was de jongste van zijn tweelingbroer Esau die Isaak had verwekt bij Rebekka.
Zijn leven wordt verteld in de hoofdstukken 25, 27-35, 46 en 50 van het boek Genesis.
Hij was een rustig man die het liefst bij de tenten bleef, anders dan de eerstgeborene Esau, die een kundig jager was en er altijd op uit trok.
Al uit hun gevechten in de moederschoot bleek de tegenstelling tussen beiden, want bij zijn geboorte hield Jakob de hiel van zijn broertje vast, in een poging zelf de eerstgeborene te worden.
Deze rivaliteit tussen beide broers bleef.
Toen Esau eens hongerig terugkeerde van de jacht, kocht Jakob van hem voor een bord linzensoep zijn eerstgeboorterecht.
Later ontfutselde hij bedrieglijk met instemming en hulp van zijn moeder Esau de zegen van zijn vader.
Om de wraak van de bedrogen broer te ontwijken en om zich een vrouw te zoeken trok Jakob weg uit Kanaän naar Laban, een broer van zijn moeder in Mesopotamië.
Voor zijn vlucht kreeg hij een opbeurende droom: een ladder reikte tot in de hemel met op en neer gaande engelen.
Van JHWH ontving hij een belofte zoals die aan zijn voorvader Abraham was gedaan: de zekerheid van nakomelingen in het bezit van dit, zijn eigen land, waarna hij op die plaats een wijsteen oprichtte en er olie over uitgoot.
Rijk geworden, keerde hij na jaren met twee vrouwen, Labans dochters Lea (= koe), wier ogen geen glans hadden, en Rachel (= ooi), die mooi en aantrekkelijk was, terug naar Kanaän.
Listig had hij zich een grote kudde verworven ten koste van Labans bezittingen.
Deze bedroog hem van zijn kant door eerst Lea in de plaats te stellen van de beloofde Rachel.
Door opnieuw een tijd voor Laban te werken verwierf hij de begeerde Rachel.
Het vertrek met vrouwen en bezittingen uit Mesopotamië moest in het geheim gebeuren.
Laban, die er na drie dagen toch achter kwam, reisde de karavaan haastig na.
Bij de nodige verwijten hoorde ook dat van de diefstal van Labans huisgoden.
Toen Jakob tegenwierp daar niets van af te weten, bleek bij nader onderzoek dat Rachel het in het geheim had gedaan en de afgodenbeeldjes in haar tent onder het kameelzadel, waar ze op zat, had verborgen.
In Kanaän verzoende Jakob zich met Esau en vestigde hij zich bij Sichem.
Voorafgaande aan de verzoening had hij een gevecht met een engel, die hem de nieuwe naam Israël (hij strijdt met God) gaf.
Zijn eerste naam betekent ‘dat JHWH (mij) be-scherme’, maar werd in de populaire traditie in verband gebracht met ofwel het Hebreeuwse woord voor ‘hiel’ en daarom verstaan als ‘hieleknijper’, ofwel met het woord voor ‘onderkruiper’.
Twaalf zonen van Jakob vormen de basis voor de twaalf stammen van het joodse volk.
Op zijn sterfbed spreekt hij de twaalf persoonlijk toe (de datum achter de naam verwijst naar hun kerkelijke feestdag indien van toepassing):
  • Ruben (Genesis 49,3-4) (4 augustus)
  • Simeon (Genesis 49,5-7)
  • Levi (Genesis 49,5-7)
  • Juda (Genesis 49,8-12 (19 december)
  • Zebulon (Genesis 49,13)
  • Issachar (Genesis 49,14-15)
  • Dan (Genesis 49,16-17)
  • Gad (Genesis 49,19)
  • Aser (Genesis 49,20)
  • Naftali (Genesis 49,21)
  • Jozef (Genesis 49,22-26) (11 december)
  • Benjamin (Genesis 49,27) (19 december)
2016 Paul Verheijen / Nijmegen