Paul Verheijen

CARAVAGGIO

Hoeksteen

Santa Maria in Vallicella


Deze kerk in Rome, ook als Chiesa Nuova bekend, is nauw verbonden met de Oratorianen ('bidders'), een in 1552 door Filippus Neri opgerichte priestercongregatie.
Als paus Gregorius XIII (1572-1585) officieel zijn goedkeuring aan deze nieuwe congregatie geeft, krijgt zij de beschikking over deze in die tijd bouwvallig geworden kerk om die te restaureren.
De kerk heeft twaalf kapellen aan weerszijden van middenschip en transept.
In alle kapellen bevindt zich een altaarstuk waarbij de Oratorianen konden bidden en mediteren bij belangrijke momenten uit de heilsgeschiedenis.
In de juiste volgorde 'gelezen' verbeelden deze altaarstukken achtereenvolgens de Presentatie van Maria in de tempel, de Annunciatie, de Visitatie, Geboorte, Epifanie, Opdracht in de tempel (linkerzijde) en Kruisiging, Graflegging, Hemelvaart, Pinksteren, Maria Tenhemelopneming en Kroning van Maria (rechterzijde).

De kapel van de Graflegging behoorde toe aan de familie van Pietro Vittrici die bevriend was met Gregorius XIII.
De paus had een speciale aflaat ingesteld voor het bidden in deze Vittrici-kapel, hetgeen tot gevolg had dat de kapel uiterst populair werd.
Veel andere altaarstukken zijn al voltooid als Caravaggio in 1602-03 aan zijn altaarstuk voor de kapel van Vittrici begint.
Caravaggio heeft de altaarstukken aan weerszijden van de Vittrici-kapel goed bestudeerd, want zijn Graflegging past goed tussen de Kruisiging van Scipione Pulzone en de Hemelvaart van Girolamo Muziano, vooral in de uitbeelding van de figuren en de kleur van de kleding.
In 1797 werd het schilderij naar Parijs werd gebracht en in de kerk vervangen door een kopie van Vincenzo Camuccini.
Twintig jaar later keerde het terug naar Rome en ging het deel uitmaken van de nieuwe Pinacoteca van Pius VII, terwijl in de kerk de kopie van Camuccini werd vervangen door een nieuwe kopie vervaardigd door Michael Koeck.

Grafverhalen

Het altaarstuk van Caravaggio wordt door velen beschouwd als het allerbeste werk van Caravaggio en een hoogtepunt van de hele westerse kunstgeschiedenis.
Het verenigt alles waar hij zijn faam aan te danken heeft: naturalisme, dramatiek en chiaroscuro.
Achter het dode lichaam van Christus zien we drie vrouwen en twee mannen.
Omdat de evangelisten niet eensluidend zijn wie er bij de kruisafneming en graflegging aanwezig waren is de vraag welke versie Caravaggio als bron heeft gebruikt.
Wie is wie?
De oudere vrouw links met in blauwe doek bedekt hoofd is ongetwijfeld de moeder van Jezus die in het evangelie volgens Johannes samen met 'de beminde leerling' aanwezig is bij de kruisiging.
De vrouw die met gesloten ogen haar tranen dept zou Maria Magdalena kunnen zijn.
De derde vrouw kan dan (de andere) Maria, de moeder van Joses zijn.
Zij richt haar wanhopige blik omhoog, haar armen ten hemel gespreid en haar mond geopend om iets te zeggen of te roepen.

Het ligt voor de hand dat de jongeman links de apostel Johannes is die gewoonlijk wordt vereenzelvigd met 'de beminde leerling' en wiens feminiene uiterlijk goed past binnen de iconografische traditie over deze leerling.
Het lichaam van Christus rust op zijn rechterarm die Johannes er omheen heeft geslagen.
Het is onduidelijk of de andere man Josef van Arimatea of Nikodemus is.
Hij heft het onderlichaam van Christus op, waarbij hij zijn handen ineen heeft geslagen om de grip te vergroten.

Symboliek

Ondanks de aanwezigheid van Jezus' moeder Maria is het altaarstuk geen Pietà gezien de overige personages die aanwezig zijn.
Het is ook geen graflegging in de strikte zin, omdat het lichaam van Christus niet in het graf wordt neergelaten of opgetild; het graf zelf is buiten beeld.
De afgebeelde steen zou de grafsteen kunnen zijn waarmee het graf zal worden afgesloten.
Symbolisch gezien zou dit een verwijzing kunnen zijn naar Christus zelf als de hoeksteen, tussen het Eerste en het Tweede Testament, de steen waarop de kerk werd gesticht.
(Vergelijk Matteüs 21,42)

De punt van de lijkwade raakt een plant aan, symbool voor nieuw leven.
Wij kijken naar het tafereel alsof we ons zelf in het graf bevinden.
Roept Caravaggio hier het memento mori in herinnering?

Levende modellen

Caravaggio gebruikte meestal levende modellen voor zijn schilderijen.
Curieus is natuurlijk dat dit ook geldt voor het model dat de dode Christus moest uitbeelden.
En dat is ook te zien!
De aderen in de zichtbare onderarm van Christus zijn opgezwollen, wat bij een dode niet het geval kan zijn.
Foutje van Caravaggio?

Kopieën

Peter Paul Rubens schilderde in 1608 voor de Chiese Nuova een driedelig altaarstuk en heeft in deze kerk De Graflegging van Caravaggio gezien.
Bron: Ruud Teggelaar

Onder de indruk hiervan maakte hij een kopie van Caravaggio's werk.
Door het aanbrengen van een aantal wijzigingen, legde hij een ander accent.
Nu is er wél sprake van een begrafenis, omdat de lege tombe zichtbaar is en Johannes van de dekplaat afstapt.
De drie vrouwen zijn voorgesteld als één rouwende groep en minder individueel.
Aan de rechterzijde voegde hij een man met een stok toe die dan Nikodemus zal zijn, als we de man met de baard identificeren als Josef van Arimatea, maar het omgekeerde is evengoed mogelijk.
Tot slot schilderde Rubens een nis met een boog op de achtergrond, waardoor de ruimte min of meer wordt gedefinieerd als de uitgehouwen rots uit Matteüs 27,60.

Dirck van Baburen maakte ook een kopie en plaatste de figuren rond de tombe op de grond en niet hoog op een dekplaat.
De afstand tot de kijker wordt daardoor minder groot.
Van Baburen lijkt nog rigoureuzer dan Caravaggio te zijn in zijn naturalisme.
De voorste drager van Christus' dode lichaam heeft een verwrongen, langwerpig uitgerekt hoofd met hoge haargrens, dat bij langere beschouwing een ongemakkelijk gevoel oproept.
Ook het verdriet van de vrouwen maakt dat zij op onaantrekkelijke wijze hun gezicht vervormen.
Was dit Baburens bedoeling of kon hij gewoon niet zo goed schilderen?
Caravaggio (Michelangelo da Merisi) (1571-1610)
Olieverf op doek, 300 x 203 cm (1602-03)
Vaticaanstad - Pinacoteca

Peter Paul Rubens (1577-1640)
Olieverf op paneel, 88,3 x 66,5 cm (1612-14)
Ottawa - National Gallery of Canada

Dirck van Baburen (ca. 1595-1624)
Olieverf op doek, 219,4 x 139,5 cm (1617-18: origineel en 29 kopieën)
Rome - San Pietro in Montorio (origineel)
Utrecht - Centraal Museum (kopie)