Paul Verheijen

VINCENZO FOPPA

Faustinus en Jovita

Brescia

Faustinus was volgens een Vita uit begin 9e eeuw priester en zijn broer Jovita diaken.
Rond 120 verrichten zij vele wonderen en bekeerden ze talloze heidenen tot het ware geloof.
Vanwege de Romeinse christenvervolgingen werden zij in Milaan, Rome en Napels gemarteld en uiteindelijk in Brescia in de kerker geworpen, aan vele pijnen onderworpen en onthoofd door keizer Hadrianus, die juist in die stad vertoefde.
Ze werden eerst naar de zonnetempel gebracht, maar het beeld aldaar begon te zweten en de tempelpriesters die het schoonmaakten, vielen dood neer.
Hierna weigerden vier leeuwen hen te verslinden.
Beren en panters verslonden vervolgens niet hen, maar de opperbeul Italicus.
Diens vrouw bekeerde zich nog voordat beide broers onthoofd werden.

Hun verering is oud, wijdverbreid, langdurig, maar vooral streekgebonden tot Lombardije en in het bijzonder de stad Brescia.
Tijdens een belegering van die stad in 1438 verschenen zij in wapenrusting aan de generaal die daarop onmiddellijk het hazepad koos.

Broederschap

Dit altaarstuk van Vincenzo Foppa toont beide heilige broers aan weerszijden van een tromende Madonna met Kind.
Hij schreef de namen in de aureolen van de heiligen zodat we weten dat links Faustinus en rechts Jovita is afgebeeld.
Traditioneel werden ze afgebeeld in wapenrusting, maar Foppa kiest voor de kleding van priester en diaken.
Mogelijk is dit ingegeven door het feit dat hij in 1503 toetrad tot de oudste broederschap van het Allerheiligste Sacrament in Brescia die zich wijdde aan de eucharistie (priester) en het helpen van behoeftigen (diaken).
Het opengeslagen boek van Faustinus bevat de tekst:
H[A]EC EST / VOLVNTAS / DEI QVIA / SA[N]CTIFICA / TIO NOST / RA FAVSTIN[I] [EST]
Dit is de wil van God dat onze heiliging van Faustinus [plaats vindt]

Symmetrie

Foppa schildert een perfecte stereometrische kubus met een grijs versierd lijstwerk.
De symmetrie zien we ook in de martelaarspalmen in de handen van de heilige broers, de handen zelf, enzovoort.
De zijopeningen vulde Foppa met een granaatappelboom en een vijgenboom alsof het tapijten of behangsels zijn.
Het geheel oogt tamelijk naturalistisch: subtiele plooien in het damasten doek achter Maria, de nonchalance waarmee Jovita een punt van zijn diakengewaad optilt.

Merk op dat Maria en Kind elk ook de martelaarspalm van een van de broers vastpakken.
De figuren van Faustinus en Jovita vertonen opvallende overeenkomst met een gravure van de martelaar Laurentius met zijn rooster door Martin Schongauer (circa 1435/50-1491).

Inscriptie

De consuls van de handel waren magistraten die belast waren met het reguleren van de handelarencorporatie.
Zij haalden in 1596 het altaarstuk weg van een ons onbekende plaats naar de sala dei mercanti, de 'zaal van de handelaren' in het hoofdkantoor van de corporatie.
Het altaarstuk staat om die reden ook bekend als de Pala dei mercanti.
De later aangebrachte lange inscriptie onderop het werk getuigt hiervan:
DEIPARAE VIRGINIS IMAGINEM HANC CONSVLES E TENEBRIS AC SITV ERUTAM CONSPICVO IN LOCO POSVERE
UT IN POSTERVM TAM OCVLIS QVAM ANIMIS PIORVM ILLVCESCAT MDIIIIC
De consuls hebben deze beeltenis van de Maagd, de God-baarster, die verwijderd is van haar plaats vanuit het duister op een opvallende plek neergezet
opdat het voortaan zowel voor de ogen als de geesten van de gelovigen oplicht


Opmerkelijk is dat de Maagd Maria hier een titel krijgt toebedeeld die voornamelijk in het oosterse christendom wordt gebruikt.
Deipara is de Latijnse vertaling van het Griekse Theotokos, Maria als degene die God heeft gebaard.
De westerse kerk hanteert gewoonlijk de titel Mater Dei, 'Moeder Gods'.
Vincenzo Foppa (circa 1430-1515/16)
Tronende Maria met Faustinus en Jovita (Pala dei mercanti) (circa 1501-1509)
Tempera en olieverf op doek, 226,5 x 205 cm
Brescia - Pinacoteca Tosio Martinengo