Paul Verheijen

JONA


JAN BREUGHEL sr

Kleine profeet

Het bijbelboek Jona hoort tot de zogenaamde groep van twaalf kleine profeten.
Klein, omdat hun boeken een geringe omvang hebben.
Jona telt slechts 48 verzen, verdeeld over vier hoofdstukjes en bevat geen verzameling profetische uitspraken zoals je zou verwachten in het boek van een profeet.
De gebeurtenissen uit zijn leven worden tamelijk ironisch beschreven.

Hoofdstuk 1

Jona heeft van JHWH de opdracht gekregen een straf uit te spreken over de stad Ninive.
Deze stad aan de rivier de Tigris is de hoofdstad van de zich steeds verder uitbreidende grootmacht Assyrië.
De Assyriërs bedreigen Israël niet alleen militair, maar ook religieus door de verspreiding van hun godencultus.
Voor Israël is Ninive de incarnatie van godslasterlijk Kwaad.
Als joodse profeet aldaar optreden is te vergelijken met het oproepen tot kuisheid op de Amsterdamse Wallen.

Jona heeft dan ook geen zin in die goddelijke opdracht en vaart per schip in tegenovergestelde richting.
Maar het schip raakt in een storm verzeild.
De zeelieden, overtuigd dat de storm veroorzaakt door een kwade god, werpen het lot om te bepalen wiens god zo boos is.
Het lot valt op Jona en hij biedt de zeelieden aan hem overboord te 'jonassen', zoals wij dat later zijn gaan noemen.
De storm gaat onmiddellijk liggen.

Hoofdstuk 2

JHWH stuurt vervolgens een grote vis om Jona te verzwelgen.
Drie dagen en nachten verbijft hij in de buik van de vis.
Het water staat Jona aan de lippen en in zijn nood smeekt hij JHWH hem te redden.
JHWH, blijkbaar niet ongevoelig voor Jona's fraaie gebed, geeft de vis de opdracht Jona op het droge te spuwen.

Hoofdstuk 3

Dan vertrekt Jona alsnog naar Ninive en verkondigt daar dat de stad na veertig dagen met de grond gelijk wordt gemaakt.
Je zou verwachten dat Jona deze onheilsprofetie met de dood moet bekopen.
Integendeel, zijn oproep vindt gehoor tot aan de koning toe.
Deze pakt het grootscheeps aan en geeft opdracht dat mensen en dieren, grootvee en kleinvee moeten vasten en terugkomen van hun heilloze daden.
Hij hoopt zodoende dat God op zijn besluit terugkomt.
En inderdaad: God krijgt spijt van zijn dreigement.

Hoofdstuk 4

Dat valt Jona in het verkeerde keelgat.
In een tweede - ditmaal nijdig - gebed keurt hij zijn aanvankelijke vlucht goed, omdat hij immers wist dat JHWH altijd spijt krijgt van aangezegd onheil.
Hij wil liever dood, gaat de stad uit en zit onder een zelfgefabriceerd dak van loof uit te kijken wat er met Ninive gaat gebeuren.
Dan laat JHWH een boom opschieten tot boven Jona uit om hem te beschermen tegen de zon en hem van zijn wrevel te genezen.
Daar is Jona erg blij mee, maar de volgende dag zorgt JHWH ervoor dat een worm de boom aanvreet en laat verdorren.
Bovendien zendt JHWH zo'n verzengende oostenwind dat de zon hevig op Jona's hoofd steekt.
Uitgeput valt Jona in katzwijm; dan wil hij helemaal dood.
Tot slot ontspint zich misschien wel de meest humoristische en tamelijk absurde dialoog tussen God en een mens in de bijbel, waarmee dit sprookje abrupt eindigt.

MICHELANGELO

Een zekere Jonas

In zijn De Oude Geschiedenis van de Joden introduceert Flavius Josephus een zekere Jonas die aan koning Jeroboam wél een voorspelling doet.
In een oorlog tegen de Syriërs zal hij over hun leger zegevieren en zijn eigen rijk uitbreiden.
Hierna beschrijft Josephus - sterk ingekort - de 'geschiedenis' van Jonas met eigen woorden zoals ik het in de boeken heb gevonden.

De Oude Geschiedenis van de Joden - Boek IX,205-214, vert. Meijer-Wes, 1996

Binnen christendom en islam

Christelijk gedacht zal het niemand verbazen dat de wederopstanding van Jona na het driedaagse verblijf in de grote vis typologisch werd opgevat als een voorafschaduwing van de verrijzenis van Jezus drie dagen na zijn executie, temeer daar Jezus Christus hier zelf aan refereert.
(Zie Matteüs 12,40)

In de katholieke kerk kreeg hij zelfs een eigen feestdag.
Het Roomse Martelaarsboek schrijft op 21 september:
In het land Saär de H. Profeet Jonas, die begraven ligt in Geth.

Jona heeft ook zijn plek gekregen in de koran.
Over Joenoes, zoals hij daar heet, wordt het volgende gezegd:

Ook Joenoes behoorde tot de gezondenen.
Toen hij naar het volbeladen schip wegliep en het lot wierp; maar hij was een van de verliezers.
Toen slokte de vis hem op, laakbaar als hij was.
En als hij niet tot hen die lofprijzen behoord had, dan was hij in zijn buik gebleven tot de dag waarop men wordt opgewekt.
Wij wierpen hem toen, ziek als hij was, op een onbegroeide plaats.
En Wij lieten boven hem een pompoenplant groeien.
En Wij zonden hem naar honderdduizend - of het waren er nog meer - die toen geloofden.
Hen lieten Wij toen nog een tijd genieten.

(Soera 37,140-148 - vert. Fred Leemhuis 1989)

De grote vis in de kunst

Hoe moet een kunstenaar de grote vis uitbeelden waarvan in het verhaal sprake is?
In het Hebreeuws staat er dag gadal, waarbij dag gebruikt wordt voor alles wat in zee leeft.
Omdat het hier om een sprookje gaat is het tamelijk onzinnig je af te vragen of het hier om een walvis, een haai, een dolfijn of om welk zeedier dan ook gaat.
Pogingen om voorbeelden te vinden dat een mens of dier inderdaad een tijdlang in de buik van een groot zeedier kan voortleven doen a priori dus niet ter zake.
Het is 'gewoon' een wondervis, een werktuig in handen van God om Jona te redden en op wonderbaarlijke wijze voor zijn taak geschikt te maken.

Kunstenaars uit de Nederlanden kozen gewoonlijk voor het uitbeelden van een walvis.
Zij waren al vroeg bekend met walvissen en konden teruggrijpen op verhalen van walvisvaarders bij het uitbeelden ervan.
Dit zal ook de oorzaak zijn dat dit bijbelsprookje vaak bekend staat als Jonas en de walvis.
Ook ons werkwoord jonassen en het bijbehorende versje is eruit afkomstig:
Jonas die in de walvis zat, van één, van twee, van drie, waarna iemand aan armen, benen en schouders omhoog wordt gegooid.

2016-2019 Copyleft - Paul Verheijen
Nijmegen