Paul Verheijen

PROFETEN

Groot en klein

In het Eerste Testament zijn 16 geschriften opgenomen die op naam gesteld zijn van een profeet.
Het woord profeet is afkomstig uit het Grieks en betekent letterlijk 'voorspreker', dat wil zeggen: iemand die spreekt voor of namens iemand anders.
De Hebreeuwse tekst gebruikt het woord nabi, waarvan de preciese betekenis onduidelijk is omdat de afleiding van het woord onduidelijk is.
Wat een nabi was moet dan afgeleid worden uit de activiteiten die hij onderneemt en dan blijkt hij een extatische door Gods geest bezielde verkondiger van Gods lof te zijn en bemiddelaar van een goddelijke openbaring, een soort 'man van de geest Gods'.
Gewoonlijk maakt men onderscheid tussen vier grote en twaalf kleine profeten, hetgeen uitsluitend slaat op de omvang van het geschrift.
In andere boeken van het Eerste Testament treden meer personen op die met profeet of profetes worden aangeduid, maar van hen is geen boek op hun naam opgenomen.
De volgorde van de profetische boeken kan per bijbeluitgave verschillen.
De lijst hieronder volgt de indeling van de NBV, met tussen haakjes het geschatte begin van hun optreden voor de gewone jaartelling en daaronder hun kerkelijke feestdag en kenmerkend attribuut.

Afbeeldingen

Als groep werden de profeten vaak vergezeld van de apostelen getoond in beeld of glas-in-lood op plaatsen waar christenen bijeenkwamen als kerken en (doop)kapellen, maar ook op reliekschrijnen en verluchtigde bijbels.
De meeste profeten zijn meestal niet herkenbaar aan hun attribuut (zie onder), maar bijvoorbeeld aan een banderol met een kenmerkend citaat uit hun geschrift of omdat de kunstenaar simpel zijn naam erbij heeft geschreven.

Grote profeten

Kleine profeten