Paul Verheijen

LAZARUS I & II

Lazarus I - Verder leven - Lazarus II

Lazarus I

In het Tweede Testament komen twee personages voor die de naam Lazarus dragen.
Het verhaal van de dodenopwekking van Lazarus door Jezus is in het Tweede Testament alleen te vinden in het Evangelie volgens Johannes.
Lazarus is daar de broer van de zusters Marta en Maria, bij wie Jezus graag mocht verblijven.
Hij werd ziek, overleed en werd begraven.
Wanneer Jezus vier dagen later de wenende zusters aantreft, wordt hij geroerd door hun stellige bewering dat Lazarus niet gestorven zou zijn als hij in de buurt was geweest.
Maar hij ergert zich aan het geweeklaag en aan het gemurmel van omstanders die zich afvragen of hij en zijn god na het genezen van een blinde ook een dode konden doen herrijzen.
Aangekomen bij het rotsgraf geeft hij opdracht de steen voor de ingang weg te rollen, waarop Marta hem zegt: Hij riekt al, want het is al de vierde dag.
Desondanks wordt de steen weggenomen en roept Jezus met luide stem Lazarus, kom naar buiten!, waarop Lazarus opstaat, handen en voeten met zwachtels omwonden en een zweetdoek om zijn gezicht.

Toen de hogepriesters van dit wonderbaarlijke gebeuren hoorden, besloten ze dat het tijd werd deze Jezus aan te pakken, omdat hij steeds meer aanhang kreeg en daardoor in toenemende mate een bedreiging voor hun machtspositie vormde.
(Johannes hoofdstuk 11)

Verder leven

Al vroeg werd Lazarus in Betanië vereerd dat al in de vierde eeuw Lazarium werd genoemd, de huidige Palestijnse stad Al-Eizariya aan de Westelijke Jordaanoever.
Legenden weten meer over het verdere leven van Lazarus.
Volgens een oosterse legende zou hij in Kition op Cyprus gestorven zijn, waar men hem vereert; volgens een westerse legende uit de 11e of 12e eeuw en de Legenda Aurea zou hij met Maria (vaak gemakshalve vereenzelvigd met Maria Magdalena) en Marta (op haar beurt ook vereenzelvigd en wel met de bloedvloeiende vrouw die door Jezus genezen werd) op een boot zonder roer gezet zijn, waarmee ze op de kusten van de Provence belandden.
Lazarus werd bisschop van Marseille, terwijl een andere traditie spreekt van Autun.
Beide toewijzingen zijn ongetwijfeld het gevolg van persoonsverwisselingen, zoals hij ook vaak verward wordt met de bedelaar Lazarus uit de parabel van Jezus over een rijke man (zie hieronder).

Lazarus werd de beschermer van de ziekenhuizen (lazaret), melaatsen, ziekenverplegenden, doodgravers en - door genoemde verwisseling met de Lazarus uit de parabel - ook van de bedelaars.
Hij kreeg twee data toegewezen op de heiligenkalender: op 17 december voor zichzelf en op 29 juli samen met zijn zusters Marta en Maria.
Het Roomse Martelaarboek memoreert hem als volgt:
Te Marseille in Frankrijk de Zalige Bisschop Lazarus, de broeder der H.H. Maria Magdalena en Marta, van wie men in het Evangelie leest, dat de Heer hem 'vriend' noemde en hem van de dood heeft opgewekt.

Lazarus II

De tweede Lazarus is zoals hierboven gezegd afkomstig uit een parabel van Jezus die opgeschreven is door de evangelist Lucas.
Lazarus is arm, zit onder de zweren en hoopt tevergeefs van een rijke man iets te eten te krijgen.
Wanneer zowel Lazarus als de rijke man overleden zijn, vindt Lazarus troost in de hemel en de rijke man juist niet, omdat hij tijdens zijn aardse leven zijn naasten niet hielp en het in tegenstelling tot Lazarus zeer goed heeft gehad tijdens zijn aardse leven.
(Lucas 16,19-31)

Men nam aan dat de zweren van deze Lazarus duiden op melaatsheid.
Door deze zweren ging Lazarus II ook behoren tot de Pestheiligen.
De lazaristen, de militaire orde van hospitaalridders, ontstaan tijdens de kruistochten, is naar hem genoemd, omdat de orde zich onder andere bezig hield met leprazorg.
Een lazaret was oorspronkelijk een ziekenhuis voor melaatsen, maar werd later ook de benaming voor een veldhospitaal.
De naam Lazarus staat aan de basis van een aantal uitdrukkingen en gezegdes die bijna altijd in een negatieve context staan.
Zo kennen we het werkwoord lazaren in de betekenis van smijten, vallen, zeuren, hinderen, en belazeren als bedriegen.
Lazarus werd daarom ook een andere benaming voor deze ziekte in de verwensing krijg het lazarus, naar analogie van talloze andere 'ziekteverwensingen'.
Hoe lazarus / lazerus met dronkenschap te maken heeft, is niet geheel duidelijk.
Waarschijnlijk heeft de uit de dood opgestane Lazarus ervoor gezorgd dat lazarus dronken is gaan betekenen, omdat het zou kunnen slaan op iemand die een slechte periode door heeft gemaakt (dood) en in wiens toestand daarna weer verbetering optreedt (leven).
Zoals altijd hebben de personen in Jezus' parabel geen naam, zo ook hier de rijke man niet, hoewel hij op grond van de Latijnse vertaling soms wel eens Dives, 'rijke', werd genoemd.
Dat de persoon onder de zweren in de parabel door Jezus wél van een naam is voorzien, is hier uniek.
Is dat misschien de reden dat de Koptische kerk een feestdag voor hem heeft bedacht op 21 juni?