Paul Verheijen

TOREN VAN BABEL

De bijbelse mythe

Het korte verhaal van de toren van Babel is te vinden in Genesis 11,1-9 en in alle opzichten te beschouwen als een mythe.
Het geeft een religieus antwoord op een (nog niet) beantwoorde vraag.
Hoe komt het dat mensen verschillende talen spreken?
De mythe eindigt met een volksetymologische verklaring van de naam babel: verwarring.
Feitelijk betekent bab-el 'poort van god', want in het Hebreeuws is verwarring 'balal'.
De 'verwarring' werd door God veroorzaakt, die de bouwactiviteiten verstierde door de bouwlieden verschillende talen te geven, waardoor zij elkaar niet meer begrepen en de bouw derhalve stagneerde.
De mythe verklaart de naam Babel dan ook als afkomstig van babal, in verwarring brengen.
Vaak wordt de mythe uitgelegd als een goddelijke bestraffing van de hoogmoed van de mens.
Hoewel ik niet ontken dat hoogmoed een thema in de mythe is, meen ik dat het verhaal allereerst iets wil afwijzen.
De auteur van het verhaal behoorde ongetwijfeld tot een nomadencultuur die een sedentaire cultuur van de hand wijst.
In het Eerste Testament heeft het woord 'stad' vrijwel steeds een ongunstige betekenis.
Over broedermoordenaar Kaïn wordt bijvoorbeeld terloops gezegd dat hij een stad aan het bouwen was die hij net als zijn zoon Henoch noemde (Genesis 4,17) en Lot, de neef van Abraham gaat wonen in Sodom hetgeen natuurlijk gesodemieter oplevert (Genesis 18 en 19).
Afkeer van de stad is duidelijk voelbaar in de eerste bijbelboeken die voornamelijk over nomaden gaan.

Toen de mensen in oostelijke richting trokken, kwamen zij in Sinear bij een vlakte en daar vestigden ze zich.
Maar de stichting van een stad is gedoemd te mislukken.
In de mythe staat: Ze zeiden tegen elkaar: 'Laten wij een stad bouwen met een toren.
En als JHWH neerdaalt om de stad en de toren te zien zegt Hij: Wat ze nu doen is nog maar een begin. Alles wat ze verder nog van plan zijn, ligt nu binnen hun bereik.
Vóór de toren noemt de mythe eerst de stad.
Als je eenmaal in een stad gaat wonen, is het einde zoek.
De straf van JHWH is dan ook niet zozeer de verwarring in de taal.
JHWH verspreidde hen van daar over de hele aarde, en de bouw van de stad werd gestaakt.
Let wel dat er staat: de stad, niet: de toren.
De mensen zijn weer als nomaden verspreid over de hele aardbodem.

Als alternatieve titel voor de mythe lijkt me De mislukte stad Babel daarom beter te passen.
De mythe staat daarmee haaks op mythen van de Sumeriërs die juist doortrokken zijn van eerbied voor de stad.

Ziggoerat

De Duitse archeoloog Robert Johann Koldewey (1855-1925) werd beroemd om zijn opgraving van de oude stad Babylon in het hedendaagse Irak waarbij hij onder andere fundamenten van de ziggoerat Mardoek onthulde.
Op een daar gevonden tablet staan de verhoudingen van de afmetingen geschreven: lengte, breedte en hoogte zijn aan elkaar gelijk.
Koldewey kwam na meting van de fundamenten tot de conclusie dat dit ongeveer 90 meter moet zijn geweest.
Voor de oorspronkelijke oriëntaalse hoorders en lezers van dit verhaal zal het waarschijnlijk wel duidelijk geweest zijn dat de toren zinspeelde op de Mardoektempel in Babel.
Dat was een zogenaamde ziggoerat, een naar boven toe uit steeds kleinere vierkanten gestapelde traptoren van zeven etages.
Eén keer per jaar besteeg de priester deze trap die naar het woonvertrek van Mardoek voerde, de staatsgod van Babylon.
De ziggoerats stonden in dienst van de tempelprostitutie en het is zeer denkbaar dat de bijbelse mythe ook deze cultus impliciet bekritiseert.

Het Huis van Nimrod

Nimrod, de achterkleinzoon van Noach, was volgens Genesis 10,8-9 de eerste machthebber op aarde na de zondvloed en een geweldig jager.
De kern van zijn rijk werd gevormd door Babel, Uruk, Akkad en Kalne in Sinear.
In de rabbijnse literatuur heet Babel het 'huis van Nimrod' en hij zou de hoge toren hebben laten bouwen om veilig te zijn bij een eventuele volgende zondvloed.
Dit is overigens een tegenwoordig vaak vergeten functie die ziggoerats ook hadden: een veilig heenkomen bij overstromingen die in Mesopotamië vaak voorkwamen.
De joodse historicus Flavius Josephus noemt Nimrod op zijn Grieks Nebrodes en schrijft over hem:
De man die hen aanzette tot rebellie en insubordinatie tegenover God was Nebrodes, een kleinzoon van Cham, de zoon van Noach. Hij was een vermetele figuur en een man van grote energie. Hij nu overreedde hen ertoe de voorspoed, waarin zij dankzij God leefden, niet aan hem tot te schrijven, maar die te beschouwen als hun eigen verdienste. Beetje bij beetje bouwde hij een tirannie op, in de mening dat de mensen hun vrees voor God alleen zouden laten varen als ze voortdurend afhankelijk waren van zijn macht. Hij dreigde zich op God te zullen wreken als hij opnieuw de aarde zou willen laten overstromen. Hij zou namelijk een toren bouwen die hoger was dan het water zou kunnen stijgen, en op die manier zou hij dan wraak nemen voor de ondergang van zijn voorvaderen. Het volk toonde zich bereid gehoor te geven aan de adviezen van Nebrodes en beschouwde het als een vorm van slavernij zich te schikken naar de wil van God. Ze legden bij het bouwen van de toren een niet aflatende energie aan de dag en stortten zich onvermoeibaar op het werk. Doordat er zoveel mensen aan werkten, verrees de toren sneller en hoger dan men zich had kunnen denken. De muren waren zo dik en sterk, dat ze op de waarnemer nog meer indruk maakten dan de hoogte. Hij werd opgetrokken in gebakken stenen die met asfalt aan elkaar gevoegd werden opdat hij niet kon wegspoelen. Toen God zag dat ze zo als dwazen bezig waren, besloot hij niet hen helemaal uit te roeien, omdat ze geen enkele lering hadden getrokken uit het feit dat eerder al de mensen omgekomen waren. Hij bewerkte echter conflicten onder hen door ervoor te zorgen dat ze allemaal een andere taal gingen spreken en dat ze als gevolg van al die vele verschillende talen elkaar niet konden verstaan. De plaats waar ze de toren bouwden heet nu Babylon. Die naam is ontleend aan de spraakverwarring die zich daar voor het eerst manifesteerde. Het Hebreeuwse woord voor 'verwarring' is namelijk 'babel'.
(Flavius Josephus - De Oude Geschiedenis van de Joden, Boek I,113-117.)