Paul Verheijen

MARTELAREN

Naam

Een martelaar, martelaarster of martelares in het christendom is iemand die bereid is voor Christus of voor een uit het geloof ontstane gewetensbeslissing geweld te ondergaan en zich hiervoor desnoods te laten doden.
Het woord martelaar is afgeleid van het Griekse martus dat 'getuige' betekent.
Oorspronkelijk sloeg de term dus op iemand die getuigde van geloof en dat met zijn leven moest bekopen.
Later is men de pijnigingen die deze getuigen moesten ondergaan martelingen gaan noemen.
In het Tweede Testament wordt de term niet als zodanig gebruikt, hoewel wel melding wordt gemaakt van executies vanwege het geloof bij Stefanus en de apostel Jakobus.

Lijsten

In de katholieke kerk worden martelaren die een voorbeeld kunnen zijn voor de gelovigen gewoonlijk zalig of heilig verklaard.
Het Deposito Martyrum is de oudste overgeleverde lijst van martelaren tot aan het jaar 336 met alleen karige vermeldingen van de dag van de maand, de naam van de martelaar en de plaats van zijn graf.
Latere lijsten zijn veel uitgebreider en bevatten martelaren door alle eeuwen heen.
Daarop staan ook groepen martelaren.
Ook in de recente geschiedenis worden nog vele christelijke martelaren vermeld.
Te denken valt aan de slachtoffers in het communistische China, Rusland en Noord-Korea waar christenen werden vervolgd vanwege hun geloof en dat met hun leven hebben moeten bekopen.
In de christelijke iconografie beeldt men een martelaar vrijwel altijd uit met de martelaarspalmtak en/of het martelwerktuig.

Legendes

In de kerkgeschiedenis zijn er verscheidene bekende martelaren geweest.
De al dan niet legendarische verslagen van hun dood zijn verzameld in zogenoemde martelaarsboeken.
Bekend zijn de vroege christelijke martelaren, die in de eerste drie eeuwen van vervolging voor de leeuwen werden geworpen of gekruisigd.
Kritische historici wijzen er op dat de vroegchristelijke geschiedenis bijna geheel verteld is op basis van christelijke bronnen.
Het fenomeen van de martelingen wordt niet per se betwist, maar was volgens hen een marginaal verschijnsel.
Ook was het de Romeinse overheid vrijwel nooit te doen om het uitroeien van het christendom, maar veeleer om het handhaven van de orde, waartegen in hun ogen fundamentalistische christenen rebelleerden.
De ideologie van het oude Rome zou veeleer religieus tolerant en polytheïsch geweest zijn.