Paul Verheijen

JOSÉ DE RIBERA

Maria van Egypte

Pikant

Maria van Egypte was een 3e-eeuwse boetelinge uit Alexandria, wier graf men drie eeuwen later in Palestina vereerde.
Een Vita Sancta Maria Aegyptiaca en het verhaal in de Legenda Aurea zijn legendarisch en pikant.
Toen Maria vanaf haar twaalfde jaar gedurende zeventien jaar haar beroep als prostituée in een bordeel te Alexandria had uitgeoefend, wilde zij met vele anderen op bedevaart naar Palestina.
De overvaart betaalde zij door de volledige bemanning met haar lichaam terwille te zijn.
Pas na een bekering voor een Maria-afbeelding kon zij, eerder door een onzichtbare macht tegengehouden, de Grafkerk te Jeruzalem binnengaan.
Een stem stuurde haar met drie haar geschonken broden de Jordaan over, waarin zij als teken van reiniging haar haren waste.
Daar trok zij de wildernis in en leefde er 47 jaren lang, terend op de drie zo hard als steen geworden broden, aangevuld met dadels en bessen.
Haar kleed verrafelde tot niets.
Volgens sommigen groeiden haar haren aan tot een kleed.
Bij een toevallige ontmoeting vertelde zij de monnik Zozimos, nadat zij diens pij had gekregen om over haar door de zon geblakerde lichaam te slaan, haar levensverhaal en vroeg hem, terwijl ze een meter boven de grond zweefde, op de komende Witte Donderdag terug te keren om haar de eucharistie te geven.
Hetgeen gebeurde, nadat zij — over het water van de Jordaan lopend — de man tegemoet gekomen was.
Toen de monnik haar een jaar later weer bezocht, bleek zij dood.
Naast haar hoofd stond in het zand geschreven: 'Zozimos, begraaf mijn lichaam, geef de aarde het hare weer terug, en bid voor mij tot God, volgens wiens wil ik van deze wereld gescheiden ben op de tweede dag van april.'
Zozimos begroef haar in een graf dat een leeuw - zo mak als een lam - in de harde woestijngrond schraapte (vergelijk een soortgelijke legende over Paulus de eremiet).
In 872 werd de tempel van Fortuna Virilis in Rome - tot kerk omgevormd - aan haar toegewijd en heet nu de Santa Maria Egiziaca.

Iconografie in Oosten en Westen

De anachorete, woestijnvrouw, in wier Vita elementen slopen uit de legende van Maria Magdalena, werd in het Oosten vereerd en afgebeeld op aan haar gewijde ikonen.
Na de Arabische inval brachten Palestijnse vluchtelingen haar verering mee naar het Westen.
Maria's feestdag valt in het Oosten op 1 april; in het Westen op 2 april.
Zij wordt meestal naakt, spaarzaam gekleed of slechts met haren bedekt afgebeeld.
In het Oosten is zij altijd oud, in het Westen meestal jong.
Drie broden vormen in het Westen haar attributen; soms komt daar een boek of een doodskop bij.
Zoals op afbeeldingen van andere asceten, bijvoorbeeld (Simeon de Styliet) is zij altijd broodmager, een schouder onbedekt.
Zij kan in een bergachtig landschap in het gezelschap zijn van een knielende Zozimos.
Verder ziet men haar op ikonen met het Laatste Oordeel (tussen de zaligen) en op feestikonen (op haar feestdag; soms met Zozimos).
In het Westen beeldde men haar of als boetelinge met een geweldige haardos bedekt.
Samen met Maria Magdalena sluit zij de rij op het paneel van de kluizenaars in Van Eycks Aanbidding van het Lam Gods.
In de periode van de barok viel alle nadruk op haar boetvaardigheid, zoals op het hier afgebeelde werk van Ribera.
Maria van Egypte is hier geschilderd volledig gekleed en boetvaardig biddend met haar ogen ten hemel geheven.
Een gebroken brood en een doodskop liggen op een tafelblad voor haar.
Juist deze attributen onderscheiden haar van Maria Magdalena.
José de Ribera (1591-1652)
Maria van Egypte (1651)
Olieverf op doek, 88 x 71 cm
Napels - Museo Civico Gaetano Filangieri