Paul Verheijen

LITANIE

Ontstaan
Kleine en Grote Litanie
Kruisdagen
Litania Lauretana
Litanie van Allerheiligen

Ontstaan

De litanie (Grieks ektinia) als gebedsvorm is overgenomen uit het jodendom. Het is een gebed om God, of Maria of een of meer heiligen aan te roepen en te smeken om genade, een geschenk of een genezing. Een litanie wordt gebeden tijdens een dienst of in een processie (die dan ook litanie wordt genoemd) en heeft de vorm van een aantal aanroepingen. Een voorganger, meestal een priester, diaken of cantor, bidt voor. De gelovigen antwoorden met een bepaalde formule zoals 'bid voor ons, aanhoor ons, ontferm u over ons, of verhoor ons'.
In de vroegste litanieën werd God aangeroepen om bevrijd te worden van de aanval en overheersing door woeste stammen, of om van pest, cholera of andere besmettelijke ziekten gevrijwaard te worden. Later ontstonden diverse litanieën: van de Heilige Geest, God, Jezus Christus, de Heilige Maagd Maria en een of meer heiligen waarin deze worden aangeroepen, en om hulp en bijstand gesmeekt.
Vanaf het einde van de 13e eeuw werd in Europa in de grotere begijnhoven een schola cantorum opgericht, vooral bedoeld om de liturgische gezangen, waaronder de litanieën, over te leveren aan meisjes die mogelijk als nieuwe begijnen gingen toetreden en deze te onderrichten. Volgens de oudste statuten van het groot begijnhof van Sint-Catharina in Mechelen, die dateren van 1286-1300, moesten de meisjes er ook voor zorgen de getijden te zingen indien de priester dat niet kon.

Kleine en Grote Litanie

De Legenda Aurea besteedt in hoofdstuk 66 aandacht aan de Grote en de Kleine Litanie.
De Kleine Litanie wordt gebeden op drie dagen voor Hemelvaart. Deze drie dagen worden ook Kruisdagen genoemd.
Rond 470 werden ze door Mamertus, bisschop van Vienne ingevoerd. Er werd een bidprocessie gehouden om Gods hulp af te smeken tegen rampen en nood, waar Zuid-Frankrijk in die tijd veel door geteisterd werd. Sinds de 9e eeuw vond de processie ook plaats in Rome, maar pas tegen het einde van de middeleeuwen werd zij voor de gehele Kerk overgenomen. De vasten die oorspronkelijk aan deze dagen verbonden was, nam men niet over omdat in de Paastijd geen vasten was toegestaan.
Er waren in die tijd in Vienne dikwijls zware aardbevingen, die zeer veel huizen en kerken vernielden. 's Nachts hoorde men vaak lawaai en geschreeuw. Toen gebeurde er nog iets verschrikkeliks: op de dag van Pasen viel er vuur uit de hemel die het koninklijk paleis in de as legde. Bovendien gebeurde er iets wat nog wonderlijker was: zoals eens de demonen in varkens waren gevaren, zo namen zij nu, met toestemming van de Heer, vanwege de zonden van de mensen hun intrek in wolven en andere wilde dieren en liepen voor niemand bevreesd, niet alleen over de landwegen, maar ook openlijk in de stad. Overal verslonden ze kinderen en oude mensen, mannen en vrouwen. Toen er iedere dag zulke smartelijke ongelukken gebeurden, kondigde de bisschop een vasten van drie dagen af en stelde litanieën in. Zo kwam er een einde aan de beproeving. Daarna is door de Kerk besloten en bekrachtigd dat deze litanie overal gehouden moest worden. (Legenda Aurea 66,24-29)
De Grote Litanie wordt gebeden op het feest van Marcus op 25 april en wordt zo genoemd vanwege Gregorius de Grote die hem heeft ingesteld om de pest te bestrijden.
Nadat namelijk de Romeinen tijdens de veertigdagentijd ingetogen hadden geleefd en met Pasen het lichaam van de Heer hadden ontvangen, vierden zij daarna de teugels voor feesten, spel en zingenot. Daardoor getergd zond de Heer een gruwelijke pest op hen af die men de liezenpest noemt, dat is een ettergezwel of opzwelling in de liezen. Die pest woedde zo hevig dat de mensen zomaar stierven, op straat, aan tafel, bij het spel of in een gesprek. Het was naar verluidt zo erg dat als iemand niesde, hij dikwijls tegelijk met het niezen zijn laatste adem uitblies. Als iemand een ander hoorde niezen, liep hij daarom meteen op hem af en riep hem toe: 'God zegene je!'. Van die tijd stamt, naar men zegt, de gewoonte om iemand die we horen niezen 'God zegene je!' toe te roepen. En ook gebeurde het vaak, zo wordt verteld, dat als iemand geeuwde, hij zomaar ineens de geest gaf. Wie een geeuw voelde opkomen, maakte daarom snel een kruisteken, en ook deze gewoonte bestaat nog steeds. (Legenda Aurea 66,6-13)

Kruisdagen

De kruisdagen zijn in de Katholieke Kerk de maandag, dinsdag en woensdag voor Hemelvaartsdag. Deze dagen vormen samen met 25 april, het feest van de Evangelist Marcus dagen waarop men met een bidprocessie en litanie smeekt om zegen over de vruchten van de aarde. De Nederlandse benaming kruisdagen is waarschijnlijk ontleend aan de gewoonte om op deze dagen een processie te houden door velden en akkers, waarbij de priester een kruis meedroeg. De kruisdagen komen voor tot in het laatste Romeins missaal volgens de Tridentijnse ritus uit 1962.
Waarschijnlijk liggen de kruisdagen alsmede de verwante quatertemperdagen ten grondslag aan de protestantse Biddag en Dankdag voor Gewas en Arbeid.
Bij de liturgiehervorming van 1969 werd het aan de lokale bisschoppenconferenties overgelaten om deze dagen te regelen. In 2005 vestigden de Nederlandse bisschoppen, in navolging van onder andere hun Duitse, Oostenrijkse en Luxemburgse collega's, opnieuw de aandacht op de mogelijkheid om de kruisdagen voorafgaand aan Hemelvaart te vieren. Bij die gelegenheid brachten zij tevens een mogelijkheid naar voren om de quatertemperdagen te vieren, die vanouds ook met gebed en gewas verbonden zijn. Maar in tegenstelling tot de quatertemperdagen zijn de kruisdagen geen dagen van vasten omdat deze in de paastijd vallen. De Kruisdag verbonden aan het feest van Marcus op 25 april is in 1969 van de liturgische kalender geschrapt.

Litania Lauretana

Het Weesgegroetje (Ave Maria) kan zonder discussie beschouwd worden als het bekendste gebed tot Maria. Maar er bestaat ook een litanie ter ere van Maria, ontstaan gedurende de 16e eeuw in het heiligdom van Loreto en om die reden ook de Litania Lauretana, Litanie van Loreto, wordt genoemd.
In 1601 werd de Litanie van Loreto, ook wel de Litanie van de Heilige Maagd Maria genoemd, als vorm van Mariaverering en aanvulling op de rozenkrans vastgelegd door Clemens VIII.

Ze bestaat uit een kleine vijftig namen die aan Maria worden toegekend, veelal beginnend met Mater, Moeder, Virgo, Maagd, Regina, Koningin, Vas, Vat en Turris, Toren. Unieke titels in deze litanie zijn Speculum iustitiae, Spiegel der gerechtigheid, Sedes sapientiae, Zetel der wijsheid, Causa nostrae laetitiae, Oorzaak van onze blijdschap, Rosa mystica, Mystieke roos, Domus aurea, Gouden huis, Foederis arca, Ark van het verbond, Ianua caeli, Deur des hemels, Salus infirmorum, Heil der kranken, Refugium peccatorum, Toevlucht der zondaars, Consolatrix afflictorum, Troosteres der bedroefden, Auxilium Christianorum, Hulp der christenen en Stella matutina, Morgenster. Deze laatste titel slaat feitelijk op Jezus (zie Openbaring van Johannes 22:16). De Morgenster is mogelijk in de Marialitanie terecht gekomen vanwege de - onzekere - afleiding door Hiëronymus van de naam Maria (zie onder Naam). Zijn verklaring ‘Stilla Maris’ werd namelijk verbasterd tot of foutief gelezen als Stella Maris, ‘Sterre der Zee’. Deze Mariatitel staat niet in de litanie, maar was in de middeleeuwen desondanks zeer geliefd.

Op het hierboven afgebeelde reliëf zien we Maria omringd met enkele van haar litanietitels.
Sterre der Zee Het genadebeeld van O.L.V. ‘Sterre der Zee’ in de Basiliek van O.L.V. Tenhemelopneming in Maastricht, behoorde van oorsprong toe aan de paters Minderbroeders van de Sint-Pieterstraat.
De Minderbroeders waren vurige Maria-vereerders, en het is dus niet verwonderlijk dat zij, vermoedelijk omstreeks 1470, de schenking van een Mariabeeld aanvaardden van de edelman Nicolaus van Harlaer (Nicolas de Harlay), toen deze op latere leeftijd bij hen intrad.
Het Mariabeeld is een houten beeld, van Duitse makelij, volgens de klassieke voorstelling van een Schöne Madonna, op stijlkenmerken te dateren circa 1410: een staande Maria, die een bloot Jezuskindje op de linkerarm draagt, en die speelt met haar Kindje dat de handjes uitstrekt naar een vrucht die Maria in de rechterhand draagt, een appel, een peer of een druiventros; bij het Maastrichtse beeld was dit waarschijnlijk een peer.
Al snel werd dit beeld, naar Zuid-Europese, Spaanse mode, bekleed met een wijde kegelvormige mantel (zie de afbeelding).
Hiervoor moest het beeld ook aangepast worden: de vrucht die Maria draagt werd afgezaagd tot een soort houder voor een lelie, en het blote Jezuskindje kreeg een mantel aan, waarvoor hem een armpje werd afgezaagd, en een kroon op het hoofd, die het oorspronkelijke beeld niet had.
Rond het beeld ontstond een grote volksdevotie, die zelfs de verering van Servatius begon te verdringen.
Op Paasmaandag 1532 schijnt het beeld voor het eerst te zijn meegedragen in processie.

Litanie van Allerheiligen

In de Grote Litanie die ook de Litanie van Allerheiligen wordt genoemd, wordt eerst God aangeroepen en vervolgens een groot aantal heiligen, om voor de gelovigen te bidden tot God. Zoals elke litanie heeft ook deze de vorm van een 'vraag-antwoord-structuur': de voorzanger bidt of zingt eerst een regel en de gelovigen de volgende vaak eenvoudige en repeterende regel.
Hoewel de naam van de litanie doet vermoeden dat alle heiligen worden aangeroepen, is het in werkelijkheid een selectie van de belangrijkste heiligen uit alle rangordes.
Voor de litanie is door Gregorius de Grote ook een liturgische gedenkdag vastgesteld en wel op 25 april.
Anoniem
Vierge entourée des symboles de ses litanies de Bar-le-Duc (16e eeuw)
Stenen reliëf
Bar-le-Duc - Parochiekerk Notre-Dame
2016 Paul Verheijen / Nijmegen