Paul Verheijen

DOOP VAN JEZUS

Duif

Alle vier evangelisten schrijven over de doop van Jezus: Matteüs 3,13-17; Marcus 1,9-11; Lucas 3,21-22 en Johannes 1,29-34
De betekenis van deze doop heeft geleid tot allerhande, soms buitensporige, uitleg, waarbij onder meer de symboliek van de Jordaan en de duif werden betrokken.
Speelt met de doop van Jezus ook reeds het motief van zijn dood mee?
De naam Jordaan betekent immers letterlijk ‘afdaler’ en in de Joodse beeldtaal is deze rivier de doodsrivier.
Zijn er parallellen tussen de Jordaan en de Schelfzee, waar het Joodse volk doorheen trok onder leiding van Mozes op weg naar het Beloofde Land of is de verwijzing nog directer naar Jozua die de Jordaan overstak om het land in bezit te nemen?
Maakt de duif, jona in het Hebreeuws, duidelijk dat Jezus, gelijk de profeet Jona, na de onderdompeling in water door God gered wordt ten leven?
Verwijst de duif naar de Geest Gods die over de wateren zweefde (Genesis 1,2)?
Bevestigende antwoorden op deze vragen komen mogelijk ietwat vergezocht over.
Een andere vraag rijst wanneer we ons realiseren dat de doop diende om de mens van zijn zonden te reinigen.
Geldt dit ook voor Jezus? Of juist niet, reden waarom hij meteen uit het water kwam en geen zonden beleed.
Verder is onduidelijk op welke wijze de doop – een volledige onderdompeling? - plaatsvond.
Hoe weet Johannes de Doper wie hij voor zich heeft?
Waren er in die tijd twee, of meer, rivaliserende dopersbewegingen en waren Johannes en Jezus daar leider van?
Is er sprake van nederigheid, van een soort hiërarchie tussen beiden, wederzijdse erkenning van elkaar of juist vijandschap.
Tel daarbij op dat de doop van Jezus bij de evangelisten Lucas en Johannes is gereduceerd tot een randverschijnsel (Lucas ontkent zelfs Jezus’ doop door Johannes), dan mag geconcludeerd worden dat ook het jonge Christendom heeft geworsteld met bovenstaande vragen.

Het beeld van de na de doop uit de hemel neerdalende duif gaat terug op zeer oude Babylonische en Assyrische sagen en op een reeds lang uit de religies verdwenen duivengodin.
Omstreeks de tweede eeuw voor onze jaartelling bad men bijvoorbeeld op Kreta tot zo’n zachtmoedige, vredelievende godin.
Wie van haar een duif kreeg toegezonden, werd door haar beschermd.
Ook in Perzië, Palestina en het Westen heeft de cultus van de duivengodin sporen nagelaten.
Steeds gaat het dan om het motief van een uitverkiezing – vooral bij een koningskeuze – door een vogel.
De duif werd vervolgens het attribuut van grote Semitische en Grieks-Romeinse liefdesgodinnen en groeide tenslotte uit tot een klassiek symbool van vrede, niet zozeer door zijn aard (de duif is immers een behoorlijk twistzieke vogel) dan wel door zijn schoonheid en zijn rol bij het einde van de zondvloed.
Als het ‘in orde’ is horen hemel en aarde bij elkaar, zijn God en mens verzoend.
Behalve bij Johannes weerklinkt een stem, een rechtstreeks woord van God, hetgeen een zeldzaamheid is in het Tweede Testament.
Deze stem wijst op Jezus als de Zoon, hij is de Geliefde, zoals Isaak werd genoemd vóór dat Abraham hem meenam om te offeren (Genesis 22,2).

De doop van Jezus wordt liturgisch gevierd op de zondag na 6 januari of als 6 januari op een zondag valt op maandag 7 januari.