Paul Verheijen

SIMSON

Rechter - Overzicht grote en kleine Rechters - Samenvatting Rechters 13-16 - Superheld

Rechter

Een rechter, ook wel richter genoemd, is in het Eerste Testament van de bijbel een persoon die als leider en militair bevelhebber optreedt.
In het Hebreeuws heten dergelijke leiders sjof'tiem.
Over de betekenis van dit woord bestaan twee opvattingen:

- het verwijst naar een vaststaand ambt zoals ook wij dat tegenwoordig kennen
- het verwijst in algemene zin naar een redder van het volk.
In beide gevallen gaat het om personen die het (gekrenkte) recht herstellen.

Uit het overzicht (zie kader) blijkt dat de omvang van wat er over hen wordt verteld in het bijbelboek Rechters behoorlijk varieert.
Aan Samgar wordt slechts één zin gewijd, terwijl voor Simson vier hoofdstukken worden gereserveerd.

Deze laatste rechter is om die reden zonder meer de bekendste.
Vooral zijn relatie met femme fatale Delila spreekt tot de kunstzinnige verbeelding.

Overzicht grote en kleine Rechters

01 - OTNIËL (Rechters 3,7-11)
02 - EHUD (Rechters 3,12-30)
03 - Samgar (Rechters 3,31)
04 - DEBORA & BARAK (Rechters 4,1- 5,31)
05 - GIDEON (Rechters 6,1 - 8,35)
06 - Tola (Rechters 10,1-2)
07 - Jaïr (Rechters 10,3-18)
08 - JEFTA (Rechters 11,1 - 12,7)
09 - Ibsan (Rechters 12,8-10)
10 - Elon (Rechters 12,11-12)
11 - Abdon (Rechters 12,13-15)
12 - SIMSON (Rechters 13,1 - 16,31)

Samenvatting Rechters 13-16


Simson was de zoon van Manoach uit de stam van Dan, en van diens lange tijd onvruchtbare echtgenote.
Op het bericht dat een afgezant van Jahwe aan zijn vrouw, die in Sora ten westen van Jeruzalem woonde, een kind in het vooruitzicht gesteld had, reageerde Manoach ongelovig.
Pas toen de afgezant ten tweede male was verschenen en na bevestiging van zijn boodschap in het vuur van het brandoffer van Manoach ten hemel was gestegen, hechtte deze geloof aan de aankondiging, die gepaard was gegaan met de instructie dat over het hoofd van de zoon geen scheermes zou mogen gaan.
Tot ongenoegen van zijn ouders liet Simson het oog vallen op een Filistijns meisje.
Op weg naar de Filistijnen verrichtte de reusachtige jongeman een eerste heldendaad: hij verscheurde met zijn blote handen een leeuw.
Op de terugweg met zijn vrouw nam hij wat honing mee van de bijen die zich in het kadaver van de leeuw hadden gevestigd.
Het inspireerde hem tijdens zijn huwelijksfeest ertoe de Filistijnen een raadsel op te geven: ‘Uit een verslinder komt voedsel en uit de sterke komt zoetheid.’
Zijn vrouw ontfutselde hem de oplossing: de leeuw en de honing, zodat haar mede-Filistijnen het antwoord konden geven en aanspraak konden maken op de hoge inzet: dertig stel kleding.
In zijn woede sloeg Simson dertig Filistijnen dood en gaf hij hun kleding aan de gevers van het antwoord.
Zijn verhouding met de Filistijnen bleef gespannen.
Toen zijn schoonvader hem eens de toegang tot zijn echtgenote versperde en zei dat hij maar een andere vrouw moest nemen, joeg hij driehonderd vossen, twee aan twee aan elkaar gebonden en met toortsen in de staarten, door de korenvelden van de Filistijnen.
Dezen vermoordden Simsons vrouw en schoonvader, die aanleiding hadden gegeven tot de verwoesting, en trokken toen op tegen Juda waar ze de uitlevering van Simson eisten.
Simson liet zich uitleveren, maar verbrak moeiteloos zijn boeien en sloeg met de kinnebak van een ezelskadaver duizend man neer.
Hij werd toen aangesteld tot rechter over de Israëlieten.
Voor de Filistijnen bleef de held ongrijpbaar.
In Gaza op bezoek bij een hoer werd hij belaagd door de stadsbewoners, maar hij voorkwam zijn gevangenneming door de stadspoort los te rukken en met grendel en al weg te dragen.
Een relatie met een geliefde, Delila, zou hem fataal worden.
Deze vrouw liet zich door de Filistijnen omkopen om het geheim van Simsons grote kracht te achterhalen.
Op haar vragen misleidde Simson haar enkele malen, maar uiteindelijk zwichtte hij en vertelde hij de vrouw dat het geheim school in zijn door geen scheermes beroerde haardos.
Delila liet Simson op haar knieën inslapen, schoor zijn hoofdhaar af en liet de nu machteloze held gevangen nemen door de Filistijnen, die hem de ogen uitstaken en in ketenen sloegen.
In de gevangenis, waar men hem dwong een molensteen te draaien, groeide zijn haar weer aan, waarna Simson, tijdens een groot feest van de Filistijnen als gevangene tussen twee pilaren tentoongesteld, nog eenmaal zijn kracht kon tonen.
Hij duwde de twee zuilen uiteen zodat het tempelgebouw instortte.
Simson werd verpletterd, met de duizenden aanwezigen in de tempel en toeschouwers op het dak.

Superheld

Het menselijk haar speelt in de magie en in de godsdienst een belangrijke rol.
Zijn betekenis berust op een oeroude overtuiging dat de ziel van de mens schuilt in zijn lichaam.
Onder de lichaamsdelen nam het haar een bijzondere plaats in waarbij het soms werd aangezien als zetel van levenskracht, zo ook bij de bijbelse rechter Simson.
Hij is vanwege zijn lange haar voorzien van een fenomenale kracht.
De heldendaden die hij daardoor kan verrichten tegen zijn gezworen vijand, de Filistijnen, zouden niet misstaan in een hedendaags stripboek of film van het Amerikaanse bedrijf Marvel.
Deze 'sterke' verhalen over Simson vertonen overeenkomsten met mythologische figuren als de Fenicische Melqart, de Grieks / Romeinse held Herakles / Hercules en reus Tityon, de Mesopotamische Gilgamesj, de Cilicische Sandas en de Indische Vishvarupa.
Of en hoe deze verhalen elkaar hebben beïnvloed is moeilijk vast te stellen.

Het is de schone Delila die Simson verraadt door te profiteren van een moment waarop Simson slaapt om zijn haar af te knippen, waarna ze de Filistijnen roept.
Met uitgestoken ogen wordt hij vastgebonden aan een tredmolen die hij eindeloos moet voortbewegen.
Als hij voor de Filistijnen moet optreden, laat hij zich tussen de middelste pijlers van hun tempel leiden, waar hij een laatste keer tot JHWH bidt dat zijn kracht terug mag keren.
Dan zet hij zich schrap tussen de twee zuilen, duwt die omver en laat zo de tempel neerstorten op zichzelf en alle aanwezige Filistijnen.

De joodse historicus Flavius Josephus hervertelt het verhaal over Sampson en Dalale, zoals zij bij hem heten, in zijn Joodse Geschiedenis (Boek V,275-317).
Hij eindigt als volgt:
De man verdient onze bewondering vanwege zijn dapperheid, zijn kracht en zijn edelmoedige dood, en zeker ook om de boosheid die hij tot op het laatste moment tegen zijn vijanden koesterde. Dat hij zich gevangen liet nemen door een vrouw is te verklaren vanuit de menselijke natuur, die tot misstappen geneigd is. Men moet hem nageven dat hij in alle opzichten voortreffelijk was.