Paul Verheijen

DRIEKONINGENSCHRIJN

Gesol met relieken


Frontzijde

Salomonszijde (links)

Toppunt van de legendevorming

In de hang naar tastbaarheid kregen de inmiddels tot drie koningen gebombardeerde wijzen uit het oosten uit het evangelie volgens Matteüs uiteraard ook stoffelijke resten die vereerd konden worden.
Het gesol met die relieken kon beginnen.

De lotgevallen van die 'stoffelijke overschotten' kunnen we o.a. lezen in de Vita beati Eustorgii Confessoris, een in Keulen samengestelde 12de eeuwse hagiografie over bisschop Eustorgius van Milaan (344 - ca. 350).
Helena bracht hun relieken - in de vorm van bot- en kledingresten - omstreeks 325 over naar Constantinopel, waarna ze in 344 aan de stad Milaan werden geschonken.
Eustorgius liet daarvoor speciaal een kerk bouwen (de huidige Sant' Eustorgio).
De ossen die de kar met de sarcofaag trokken, werden door een wolf opgevreten.
Eustorgius dwong de wolf vervolgens de kar te trekken.
Gedurende acht eeuwen bleven de relieken rusten in Milaan.

In 1164, twee jaar na de verovering van Milaan, liet keizer Frederik I Barbarossa met hulp van bisschop Rainald von Dassel die uiteraard 'authentieke' relieken vervoeren naar Keulen.
Om achtervolgers over land te misleiden werden de hoefijzers van de muildieren van de kar achterstevoren geslagen.
Op 23 juli 1164 kwam het schip in Keulen aan en werden de relieken door de hele bevolking, priesters voorop, feestelijk binnengehaald en bijgezet in de Petrus-Dom.

In veertig jaar tijd, van 1181 tot 1230, vervaardigde goudsmit Nikolaas van Verdun met zijn medewerkers een enorm gouden reliekschrijn in de vorm van een oudchristelijke drieschepige basiliek.

Achterzijde

De afbeeldingen

Op de frontzijde is in het bovenveld Christus afgebeeld als wereldrechter, geflankeerd door twee engelen.
In het onderveld zien we links de drie koningen die Maria en het kind hulde brengen.
Koning Otto IV is een vierde koning in de rij.
Rond 1200 schonk hij edelstenen voor de schrijn en als dank (of voorwaarde?) mocht (wilde?) hij op de schrijn achter het drietal aanschuiven.
Rechtsonder is de doop van Christus uitgebeeld.

De achterzijde toont in het bovenveld de kroning van de martelaren Felix en Nabor van Milaan, van wie de relieken tegelijk met die van de drie koningen naar Keulen waren vervoerd.
Opmerkelijk detail: in 1959 werden hun hoofden in het Franse Namur gevonden en aan Milaan teruggegeven.
Zo heeft Milaan ook nog iets te vereren over.
In het onderveld links wordt Jezus gegeseld en rechts gekruisigd met zijn moeder Maria en zijn lievelingsleerling Johannes terzijde.
In de driehoek tussen boven- en onderveld is een bisschop met mijter afgebeeld. Het is Rainald von Dassel die in 1164 de relieken als krijgsbuit uit Milaan naar Keulen had laten brengen en daarmee Keulen tot een van de belangrijkste bedevaartsoorden van de middeleeuwen verhief, met bijbehorend economisch gewin.
Als dank of eis is hij hier vereeuwigd, zij het onaf.
Hij mist zijn handen.

Davidszijde (rechts)

David en Salomon

De linker en rechter lange zijdes van de schrijn zijn respectievelijk genoemd naar de koningen Salomo en David.
De onderste rij is gereserveerd voor 2 x 6 profeten uit het Eerste Testament met Salomon enerzijds en David anderzijds in hun midden.
De bovenste rij wordt bevolkt door 2 x 6 apostelen uit het Tweede Testament met een cherub in het midden.

Nog steeds toont het Keulse stadswapen drie kronen en staat de schrijn in de Dom.

Apostelen en profeten

De apostelen en profeten op de schrijn zijn onmogelijk te identificeren, ware het niet dat Verdun in de boog boven hun hoofden de naam heeft ingekerfd. Als voorbeeld is hier Amos Propheta afgebeeld.
Deze agrariër trad rond 750 voor onze jaartelling op in het Noordrijk Israël en werd daar als ongewenste vreemdeling uitgewezen.
Hij bekritiseerde vroomheid wanneer daar geen praktische consequenties aan verbonden werden.
Zoals gebruikelijk bij de profeten waarschuwde hij voor een fatale afloop van fout gedrag.
Amos beschrijft bijvoorbeeld de woestijntijd van Israël waarin het volk herhaaldelijk in afgodendienst verviel: een voorafspiegeling van wat zich later in het beloofde land zou afspelen en dreigt met een ballingschap (Amos 5,25-27).

In het Tweede Testament houdt Stefanus een lange verdedigingsrede waarin hij deze kritiek van Amos citeert, zonder overigens diens naam te noemen (Handelingen 7,42-43).
Later in hetzelfde bijbelboek houdt ook Jakobus een toespraak met een anonieme verwijzing naar Amos (Handelingen 15,17 verwijst naar Amos 9,11-12).