Paul Verheijen

DRIEKONINGENSCHRIJN

Gesol met relieken



Frontzijde

Koningen? Drie?

Matteüs meldt in het tweede hoofdstuk van zijn evangelie dat magiërs uit het oosten een ster hebben gezien van een pasgeboren koning van de joden.
In Jeruzalem doen ze navraag bij koning Herodes.
Ze vinden het kind Jezus in Betlehem en brengen het hulde met goud, wierook en mirre.
In een droom gewaarschuwd gaan ze niet via Herodes terug.
Die ontsteekt in woede en laat in Betlehem alle jongetjes van twee jaar en jonger om zeep brengen.

Ook het Tweede Testament kent zijn gruwelijke verhalen.
Merk op dat Matteüs niet spreekt over koningen of over een aantal van drie.
Hij is overigens de enige evangelist die dit verhaal heeft opgetekend.
Met zulke schaarse gegevens over deze mysterieuze huldebrengers nam de traditie uiteraard geen genoegen en zo onstond er uitgebreide legendevorming rond die wijzen uit het oosten.
Op grond van de geschenken werden het er drie, het werden koningen, ze werden gekoppeld aan werelddelen, huidskleuren, leeftijden en natuurlijk kregen ze namen.
In het Westen zijn ze bekend als Caspar, Melchior en Balthasar.
Wie precies wie is en bij wat hoort, weet niemand.
Dat lijkt me ook duidelijk.
Matteüs schrijft er niets over.

Salomonszijde (links)

Toppunt van de legendevorming

In de hang naar tastbaarheid kregen de inmiddels tot drie koningen gebombardeerde wijzen uit het oosten uiteraard ook stoffelijke resten die vereerd konden worden.
Het gesol met die relieken kon beginnen.

De lotgevallen van die 'stoffelijke overschotten' kunnen we o.a. lezen in de Vita beati Eustorgii Confessoris, een in Keulen samengestelde 12de eeuwse hagiografie over bisschop Eustorgius van Milaan (344 - ca. 350).
St. Helena bracht hun relieken - in de vorm van bot- en kledingresten - omstreeks 325 over naar Constantinopel, waarna ze in 344 aan de stad Milaan werden geschonken.
Eustorgius liet daarvoor speciaal een kerk bouwen (de huidige Sant' Eustorgio).
De ossen die de de kar met de sarcofaag trokken, werden door een wolf opgevreten.
Eustorgius dwong de wolf vervolgens de kar te trekken.
Gedurende acht eeuwen bleven de relieken rusten in Milaan.

In 1164, twee jaar na de verovering van Milaan, liet keizer Frederik I Barbarossa met hulp van bisschop Rainald von Dassel die uiteraard 'authentieke' relieken vervoeren naar Keulen.
Om achtervolgers over land te misleiden werden de hoefijzers van de muildieren van de kar achterstevoren geslagen.
Op 23 juli 1164 kwam het schip in Keulen aan en werden de relieken door de hele bevolking, priesters voorop, feestelijk binnengehaald en bijgezet in de Petrus-Dom.

In veertig jaar tijd, van 1181 tot 1230, vervaardigde goudsmit Nikolaas van Verdun met zijn medewerkers een enorm gouden reliekschrijn in de vorm van een oudchristelijke drieschepige basiliek.

Achterzijde

De afbeeldingen

Op de frontzijde is in het bovenveld Christus afgebeeld als wereldrechter, geflankeerd door twee engelen.
In het onderveld zien we links de drie koningen die Maria en het kind hulde brengen.
Koning Otto IV is een vierde koning in de rij.
Rond 1200 schonk hij edelstenen voor de schrijn en als dank (of voorwaarde?) mocht (wilde?) hij op de schrijn achter het drietal aanschuiven.
Rechtsonder is de doop van Christus uitgebeeld.

De achterzijde toont in het bovenveld de kroning van de martelaren Felix en Nabor van Milaan, van wie de relieken tegelijk met die van de drie koningen naar Keulen waren vervoerd.
Opmerkelijk detail: in 1959 werden hun hoofden in het Franse Namur gevonden en aan Milaan teruggegeven.
Zo heeft Milaan ook nog iets te vereren over.
In het onderveld links wordt Jezus gegeseld en rechts gekruisigd met zijn moeder Maria en zijn lievelingsleerling Johannes terzijde.
In de driehoek tussen boven- en onderveld is een bisschop met mijter afgebeeld. Het is Rainald von Dassel die in 1164 de relieken als krijgsbuit uit Milaan naar Keulen had laten brengen en daarmee Keulen tot een van de belangrijkste bedevaartsoorden van de Middeleeuwen verhief, met bijbehorend economisch gewin.
Als dank of eis is hij hier vereeuwigd, zij het onaf.
Hij mist zijn handen.

Davidszijde (rechts)

David en Salomon

De linker en rechter lange zijdes van de schrijn zijn respectievelijk genoemd naar de koningen Salomon en David.
De onderste rij is gereserveerd voor 2 x 6 profeten uit het Eerste Testament met Salomon enerzijds en David anderzijds in hun midden.
De bovenste rij wordt bevolkt door 2 x 6 apostelen uit het Tweede Testament met een cherub in het midden.

Het Keulse stadswapen toont nog steeds drie kronen en de schrijn is in de Dom nog steeds te bewonderen.
Of Keulen nog geldelijk baat heeft van hordes pelgrims, waag ik te betwijfelen.

KERSTTIJD

Bron

Jakob Schlafke - Der Kölner Dom
Keulen 1990


2016-2018 Copyleft - Paul Verheijen
Nijmegen