Paul Verheijen

DE (TWAALF) APOSTELEN

Apostellijsten

Het woord 'apostel' is afgeleid van het Griekse apostolos dat op zijn beurt een vertaling is van het Hebreeuwse sjaliah dat 'gezant' of 'bode' betekent.
Het is een typisch christelijk woord dat in het Tweede Testament vooral voorkomt in de geschriften van Lucas en Paulus.
Deze laatste heeft voornamelijk de inhoud van het begrip apostel bepaald, maar wie precies 'apostel' zijn is niet duidelijk.
Er staan in het Tweede Testament vier apostellijsten die bestaan uit twaalf namen.*
Als we de apostel Taddeüs vereenzelvigen met Judas van Jakobus (in dat geval dan gewoonlijk aangeduid als Judas Taddeüs) dan betreft het steeds hetzelfde twaalftal.
Ze worden ook vaak betiteld als 'De Twaalf'.
Johannes betrekt het begrip 'apostel' niet op leerlingen van Jezus, maar kent wel de aanduiding 'De Twaalf', zonder ze alle twaalf te noemen.
In de Handelingen van de apostelen is de overleden Judas Iskariot, Jezus' overleveraar, vervangen door Mattias.
De namen staan in de vier lijsten niet in dezelfde volgorde, maar Petrus is altijd de eerstgenoemde en Judas Iskariot staat telkens als laatste in de lijst.
Matteüs voert de eerste vier apostelen op als kwartet een heeft eerder reeds hun roeping door Jezus beschreven; de overige acht noemt hij telkens als koppel.
Hieronder deze lijst volgens Matteüs met daarachter vermeld hun belangrijkste feestdag op de kerkelijke kalender en attribuut.

(Matteüs 10,2-4); Marcus 3,16-19; Lucas 6,14-16 en Handelingen van de apostelen 1,13)

Iconografie

Op oude Byzantijnse afbeeldingen worden de twaalf apostelen vaak afgebeeld als schapen, meestal komend uit de steden Betlehem (geboorte) en Jeruzalem (dood), soms ook als mannen, met een banderol of boek in hun hand.
Volgens een legende schreven de twaalf apostelen, na op Pinksteren door de Heilige Geest geïnspireerd te zijn, elk telkens een van de twaalf artikelen van de geloofsbelijdenis op.
Op grond van deze legende zijn de twaalf apostelen soms afgebeeld of vormgegeven met elk het bij hem behorende artikel van de geloofsbelijdenis.
Bij afbeeldingen in de oosters-orthodoxe kerken worden Jakobus Minor en Taddeüs soms vervangen door de twee evangelisten die strikt genomen geen apostel waren: Marcus en Lucas.
Voor Paulus was het begrip 'apostel' niet zozeer een titel, maar een functie.
Hij beschouwde zichzelf eveneens als apostel (29 juni; tweesnijdend zwaard) en noemde naast de twaalf overigens ook nog anderen 'apostel'.
In de loop der eeuwen kreeg elke apostel een herkenbaar attribuut toegekend (zie boven), maar sommige apostelen wisselen nogal eens van attribuut.

De kerkelijke feestdag voor alle apostelen is op 15 juli.

Jakobus

In het Tweede Testament komt de naam Jakobus (verlatinisering van de naam van de aartsvader Jakob) zo'n veertig keer voor.
In de apostellijsten gaat het in elk geval om twee verschillende personen.
Ter onderscheid worden de termen maior / makros en minor / mikros aan hun namen toegevoegd hetgeen kan slaan op:
- het tijdstip van hun roeping (maior = eerder)
- hun leeftijd (maior = ouder)
- hun uiterlijk (maior = langer / zwaarder / prachtiger?)
- het belang voor de vroege Kerk (maior = aanzienlijker)
Verwarrend is dat Lucas in zijn apostellijst naast Judas van Iskariot ook een 'Judas van Jakobus' noemt (Lucas 6,16 en Handelingen 1,13).
Wie zijn deze Judas en Jakobus?
- Is Judas van Jakobus dezelfde apostel als Taddeüs in de andere lijsten?
- Is Jakobus de vader of de broer van Judas?
- Is hier sprake van een derde Jakobus of kan hij vereenzelvigd worden met 'Maior' of 'Minor'?
En dan is er nog een vierde Jakobus die de broer van Jezus is (Matteüs 13,55; Marcus 6,3) en frequent wordt genoemd in Handelingen en de brieven.