Paul Verheijen

AMADEUS (DEOCARUS) VAN HERRIEDEN

Altaar


Tweede Neurenbergse modelheilige

De Sebalduskirche (1215) en de Lorenzkirche (1250) waren de twee belangrijkste parochiekerken van Neurenberg. Er bestond een duidelijke rivaliteit tussen beide. De Sebalduskirche had al vanaf het begin een enorm voordeel: daar rustten de relieken van blindengenezer Sebaldus, de stadspatroon en zeer populaire heilige, die talloze pelgrims aantrok. De Lorenzkirche had op dat moment nog geen reliekenschat van vergelijkbare uitstraling. Dat werden de relieken van Amadeus van Herrieden, ook Deocarus geheten.

Deocarus was een kluizenaar en monnik in Fulda, voor wie Karel de Grote in 795 de benedictijnenabdij van Herrieden bij Ansbach, ten westen van Neurenberg stichtte. Volgens de overlevering was Deocarus de biechtvader van Karel de Grote. Deocarus werd in Herrieden de eerste abt. In 819 mocht hij bij de verheffing van de relieken van Bonifatius mede de schrijn dragen. Hij stierf vermoedelijk rond het jaar 830.
Hoewel formeel nooit heiligverklaard is zijn kerkelijke feestdag op 7 juni, is hij natuurlijk ook patroon van blinden en wordt zijn voorspraak ingeroepen bij oogkwalen.

Toen Karel IV (1316-1378) in 1350 de relieken van Deocarus vanuit Herrieden aan de Lorenzkirche schonk, werd dit gezien als een manier om de balans wat recht te trekken: de Lorenzparochie kreeg eindelijk een eigen, aanzienlijke heilige. Deocarus kon worden vereerd als 'tegenhanger' van Sebaldus. Voor Karel IV had dit een bijkomend voordeel: de Lorenzkirche stond dichter bij de nieuwe rijksburcht en het keizerlijk paleis, waardoor hij er meer invloed kon uitoefenen dan op de al eeuwenlang gevestigde cultus van Sebaldus.
Maar er zat nog meer achter. Karel IV had een uitgesproken belangstelling voor heiligenverering en relieken. Hij wilde Neurenberg – als rijksstad en belangrijke residentie – verrijken met heilige schatten om zo de stad meer prestige te geven en het religieuze leven te versterken. De gift paste in Karels politiek om Neurenberg en Praag, zijn hoofdresidentie, te maken tot centra van keizerlijke en geestelijke uitstraling.

Voor de relieken liet Karel IV een bijzonder reliekschrijn vervaardigen. Daarvoor waren ook lokale sponsors en schenkers nodig. Het echtpaar Andreas en Margarethe Volckamer behoorde tot de voornaamste patriciërs van Neurenberg. Zij ondersteunden de inrichting van de Deocarus-cultus in de Lorenzkirche financieel en praktisch. Waarschijnlijk financierden zij mee aan de Deocarusschrein en aan het hier afgebeelde retabel. Zij waren de belangrijke begunstigers van de reliekenoverdracht en van de nieuwe devotie rond Deocarus. Dit schenkerspaar zien we klein (want natuurlijk bescheiden) afgebeeld op de predella.

Na de invoering van de reformatie in Neurenberg in 1525 werd de zilveren reliekkist overgebracht naar de sacristie. Daar bleven ze tot 1811, toen de kist met inhoud naar München werd overgebracht. Om de gemeentelijke schulden af ​​te lossen werd de kist omgesmolten. De relieken worden sinds 1845 bewaard in de Dom van Eichstätt.

Oogballen

De maker van het altaarstuk is onbekend. De gebeeldhouwde figuren worden toegeschreven aan de Meester van het Deichsler-altaarstuk. De paneelschilderingen zijn waarschijnlijk het werk van twee kunstenaars. De maker van de predellapanelen is onbekend, maar de artistiek meest indrukwekkende altaarluiken worden toegeschreven aan de Meester van het Bamberger-altaarstuk.

Gesloten (Afbeelding linksboven)
We zien Deocarus biddend als kluizenaar, met daaronder de genezing van een blind kind. Rechts ligt Deocarus op zijn sterfbed, met daaronder de overbrenging van zijn relieken naar Neurenberg. De predellavleugels tonen de twaalf apostelen, met Paulus in de plaats van Judas Iskariot.

Geopend (Afbeelding onder)
Twee beeldengroepen in het middengedeelte tonen bovenaan Christus zittend op de troon temidden van zes apostelen en daaronder Deocarus temidden van de overige zes apostelen.
Boven van links naar rechts: Mattias (hellebaard), Johannes (kelk), Petrus (sleutel) – Christus – Paulus (zwaard), Filippus (T-kruis), Bartolomeüs (mes).
Onder: Thomas (lans), Judas Taddeüs (knots), Jakobus de Oudere (schelp) – Deocarus – Matteüs (bijl), Jakobus de Jongere (wandelstaf), Simon (zaag).
Opvallend is dat Andreas, nota bene de beschermheilige van de stichter, werd weggelaten.

De beschilderde zijluiken tonen scènes uit het leven van Christus:
Links de Transfiguratie en daaronder de Wonderbaarlijke visvangst. Rechts de Opstanding van Christus, en daaronder het Laatste Avondmaal.

De predella, eveneens beschilderd, toont in het midden de open zilveren kist met het lichaam van Deocarus, geflankeerd door vier scènes uit de legende van Deocarus, v.l.n.r.:
  • Karel de Grote biecht bij Deocarus
  • Deocarus op zijn sterfbed (klein schenker Andreas)
  • Karel IV plaatst Deocarus' reliekkist op het altaar (klein schenkster Margarethe)
  • Een blinde jongen wordt bij het altaar door Deocarus' reliekkist genezen
Hoe schilder je in de 15e eeuw een blinde? Op niet te missen wijze laat de kunstenaar zien dat de ogen van de jongen niet in orde zijn: zijn oogballen hangen nog slechts aan één zenuw ver uit zijn kassen.

Achterzijde (Afbeelding rechtsboven)
Ook de achterkant is beschilderd, maar moeilijk te fotograferen omdat het retabel vrij dicht tegen de muur is geplaatst.
Bovenaan Calvarië, daaronder zien we volgens de website van de Lorenzkirche Deocarus die een ziek kind geneest en op de predella is Deocarus afgebeeld, net als op de voorzijde liggend in zijn zilveren kist.
Anoniem / Noodnamen
Deocarusaltaar (1437)
Panelen en beeldhouwwerk
Neurenberg - Lorenzkirche
2016 Paul Verheijen / Nijmegen